Wekelijkse bijbeltekst

Bijbeltekst week 2019 – 48

Ja, van oudsher heeft men het niet gehoord noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht.

Jesaja 64:4

De Bijbeltekst voor deze week begint met: van oudsher. Dat is een prachtige uitdrukking. Maar dit Hebreeuwse woord drukt niet alleen het verleden uit, maar ook de toekomst. Het woord is afgeleid van een werkwoord, dat de betekenis heeft van: verbergen, geheim zijn, altijd durend, niet eindigend. Van oudsher houdt dus iets oneindigs in naar verleden, heden en toekomst: niet te bevatten, niet te doorgronden, niet te overzien. Wat houdt dit ‘niet te doorgronden’ in onze tafeltekst in? Het is iets wat ‘te horen’, ‘te vernemen’ of ‘te zien’ valt.

Dit ‘horen’ en ‘vernemen’ horen bij elkaar. Het zijn twee verschillende werkwoorden, die allebei met ‘horen’ te maken hebben. Het eerste echter legt meer de nadruk op het ‘horen’, ‘geluid waarnemen’ en het tweede meer op het ‘gericht luisteren naar’. Je zou kunnen zeggen dat het eerste op je afkomt: je hoort wat, en het tweede geeft weer, dat je gehoor geeft aan. Het eerste werkwoord zou meer de betekenis kunnen hebben van: het ene oor in, het andere uit, maar het tweede drukt het verlangen uit om er gevolg aan te geven. Dit laatste is zo anders, omdat het weer met relatie, met liefde te maken heeft.

Laten we het vergelijken met de situatie dat je ergens bent en je je naam hoort roepen. Je kijkt verbaasd rond om te weten te komen wie jou hier kent. Maar het tweede is anders: je herkent aan de stem degene die je naam roept en dat doet je verlangen naar alles wat nu verder gaat gebeuren in het contact met elkaar.

Direct daar achter staat wat geen oog heeft gezien. Dit ‘gezien’ is meer dan ‘waarnemen’. Het heeft vooral ook te maken met ‘bezien om het te begrijpen’. Waar gaat het in onze tafeltekst nu om? Dat er in de oneindige tijd door de mens, behalve onze God, niemand ‘te zien’ is die ‘optreedt’.

Bij het woord ‘optreden’ moeten we echt wel even stil staan! Want dit woord ‘optreden’ is een werkwoord dat meer dan 2.200 keer in het Oude Testament voorkomt en al in de eerste verzen van de Bijbel wordt gebruikt. In het ‘scheppingsverhaal’ (Gen 1:1 tot 2:4) staat dat God tweemaal ‘scheppend’ iets tot stand bracht: 1) de hemel en de aarde en 2) de mens.

Voor het overige staat er geen ‘scheppen’, maar een werkwoord dat de betekenis heeft van: doen, vormen, tot stand brengen, maken. Dit werkwoord komt ook hier in onze tekst voor en wordt dan vertaald met ‘optreden’. Wat is het goed om te beseffen dat dit ‘optreden’ niets te maken heeft met een schouwspel, maar met een betrokken zorg.

En deze zorg van God is voor, ‘ten behoeve van’, ten dienste van: de mens die op Hem ‘wacht’. Maar dit ‘wachten’ is niet een passief wachten, niet een af-wachten! Nee, het is een ‘wachten op’, een ‘verwachten’! In het verband van onze tafeltekst is het nog meer. Het is een ‘verlangen naar’, een ‘uitzien naar’.

Wat hebben we weer een rijke tafeltekst. Natuurlijk lezen we deze tafeltekst, zoals die in de Bijbel vertaald staat. Maar toch weer even een eigen, heel vrije, vertaling, om het geluk dat vanuit deze woorden ons toe straalt, een week lang te bejubelen: Nooit zal er door een mens een god te verzinnen zijn, die meer zou kunnen zijn dan God, Die ieder, die naar Hem uitziet en zich aan Hem toevertrouwt, verzorgt, bewaart voor tijd en eeuwigheid.

Bijbeltekst week 2019 – 47

Wat gij ook doet, verricht uw werk van harte, als voor de Here en niet voor mensen;

Kolossenzen 3:23

In vers 17 van dit hoofdstuk staat: En al wat gij doet, met woord of werk …  Deze tekst begint met: Al wat gij doet. Het woord ‘al’ betekent gewoon ‘alles’, dus niets uitgezonderd. Het werkwoord ‘doen’ slaat vooral op alles wat je tot stand brengt: maken, toebereiden. De woorden: ‘verricht uw werk’  in deze tafeltekst, is eigenlijk één woord en kan vertaald worden met: werken of bezig zijn. Het slaat eigenlijk op alle gewone, dagelijkse dingen. ‘Verricht uw werk’ doet je al heel gauw denken aan wat meer opvallende zaken. Zo is het beslist niet bedoeld! Het gaat dus om ons gewone dagelijkse werk.

Paulus roept ons op om alle dagelijkse bezigheden ‘van harte’ te doen. Dit van harte zouden we ook kunnen vertalen als: met heel je ziel. Het woord ‘ziel’ kan vertaald worden met ‘levensadem’. Met ‘ziel’ wordt in het Nieuwe Testament altijd bedoeld: de innerlijke mens die voor het eeuwige leven bestemd is. Dit ‘van harte’ is de kern van onze tafeltekst.

Paulus vertelt ons dat alles wat we doen, iedere dag, elk ogenblik van de dag, bepaald moet worden, inhoud moet krijgen, vanuit het besef dat we hemelburgers zijn; mensen die huisgenoten Gods zijn, medearbeiders van Christus, mee bouwend aan Zijn komende Rijk . . . Efeziërs 2:19 Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods.

De tafeltekst is een duidelijke oproep om te breken met het dubbele leven. Paulus zegt ergens anders: Indien ik nog mensen trachtte te behagen, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn (Galaten 1:10). Dat is duidelijke taal! Al ons ‘bezig zijn’ moet voor Hem zijn. Als dat niet het geval is, komt dit omdat we nog zo vast zitten aan het tijd-gebonden leven. We laten ons nog zo beïnvloeden door de wereldgeesten, waar Paulus zo vaak over spreekt (Galaten 4:3,9 en Kolossenzen 2:8,20).

Paulus roept ons op om ons zo op de komst van Zijn Rijk te richten, dat de wereldgeesten geen inspraak meer kunnen hebben. Dat is alleen mogelijk als we ons van ogenblik tot ogenblik laten inspireren door de Heilige Geest, die ons immers wil leiden in alle waarheid! Johannes 16:13  doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen.

Dan kunnen we ook denken aan een ander woord van Paulus: Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede (Romeinen 12:21). En wat het ‘goede’ is, staat zo duidelijk omschreven in de tafeltekst van deze week.

Iedere dag mogen we driemaal aan tafel deze woorden tot ons laten doordringen. En dan ook vertrouwen dat, als we niet uit gewoonte, maar biddend deze woorden uitspreken als ‘Brood voor ons Hart’, God Zijn Woord zal bevestigen in onze harten. Dan zullen we, meer dan ooit, betrouwbare medearbeiders van Christus worden, tot zegen en verlossing van heel veel mensen om ons heen . . .

Bijbeltekst week 2019 – 46

Laat ons oog daarbij [alleen] gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde welke voor Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. 

Hebreeën 12:2

Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus . . .  Het woordje ‘daarbij’ maakt het nodig om ook het eerste vers te lezen: Hebreeën 12:1 Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. 

Hebben wij echt zo’n grote wolk van getuigen rondom ons?

Ja, getuigen uit een ver verleden. Maar er is veel voor nodig willen deze overoude getuigen ons nog aanspreken. Paulus was er echt heel blij mee. Maar laten wij, om meer geïnspireerd te worden, even deze oude, echt wel waardevolle getuigen, naar de achtergrond schuiven en kijken of er geen meer actuele getuigen zijn. Echt waardevolle getuigen zijn alleen ooggetuigen. Daarom komen wij met de gemeente ook ‘s zondags samen om te luisteren naar wat wij zelf ervaren hebben van de bemoeienis van de Here in ons persoonlijke leven. Dat is de waarde van ons ‘elfuurtje’! Want als we horen en zien wat God in de levens van anderen bewerkt, staat de deur open voor echte aanbidding.

Dat is de basis voor echt leven en voor gezond denken: ‘Eerst aanbidden, dan pas ademen en dan pas denken’, is een bekende spreuk. Dan krijg je zin om mee te gaan, je er in te storten en te zorgen dat je niet achterblijft! Maar dat kan spanning en verbetenheid wekken.

Wat wordt de tafeltekst van de komende week dan kostbaar! Want wij hebben een grote wolk van getuigen om ons heen, we zien dat God onder ons werkt in de harten van veel mensen. Maar de enige manier om werkelijk deel te krijgen aan dit getuigenis is om dan ook alleen maar op Jezus gericht te zijn. Hij is gehoorzaam gebleken tot de dood aan het kruis. Ja, Hij heeft zelfs vreugdevol het kruis op Zich genomen, de schande en de smaad niet achtende. En daarom heeft Jezus van God de Naam boven alle Naam ontvangen en is Hij nu gezeten ter rechterzijde van de troon Gods.

Als de actuele getuigen van Gods werk onder ons, ons niet richten op Jezus, dan vervallen we tot armzalige meepraters en meelopers.

Laat de tafeltekst voor deze week daarom voor ons allemaal een oproep zijn om, meer dan ooit, alleen gericht te zijn op Jezus, onze levende Heer. Die dan ook voor ons de Leidsman en Voleinder (voleinden = voltooien, afmaken) van ons geloof zal blijken te zijn.

Bijbeltekst week 2019 – 45

Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons.

2 Korintiërs 4:7

Omdat onze nieuwe tafeltekst begint met ‘maar’ moeten we ook nu weer lezen wat aan deze tekst vooraf gaat. (2 Kor.4:6) Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus.

Deze tekst: ‘Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister,’ verwijst heel krachtig naar de eerste verzen van de Bijbel: En God zeide: Er zij licht; en er was licht (Gen. 1:3). Tijdens de scheppingsdagen brak er, vanuit de duisternis die er op de aardbol was, door het zweven van Gods Geest over deze duisternis, licht door. En de apostel Paulus drukt in zijn brief aan de Korintiërs uit, dat vanuit het duister van ons bestaan Gods licht ook doorgebroken is in onze harten. Dit licht heeft niet slechts tot doel om de duisternis te verbreken, maar, zoals de tekst in vers 6 ook weergeeft, iets aan het licht te brengen, te openbaren, nl. de kennis van de heerlijkheid Gods.

Het woord ‘kennis’ betekent niet zo zeer ‘er iets over weten’, maar eigenlijk meer ‘inzicht, verstaan, deel hebben aan.’

Het woord ‘heerlijkheid’ is ook de moeite waard om aandacht aan te besteden. Dit woord betekent zoiets als: iets verstaan, wat onlosmakelijk tot gevolg heeft dat men tot aanbidding en lofprijzing komt. Het is dus het tegenovergestelde van, zoals de Bijbel het zegt De kennis maakt opgeblazen (1Kor. 8:1). Het grote verschil is nl. de gezindheid bij de ‘kennis’: als de kennis ons tot zelfverrukking brengt of: tot aanbidding brengt vanwege de openbaring van God . . .

Alle kennis die wij vergaren, buiten Christus om, maakt opgeblazen en vervreemdt ons van God. Hiervan zegt de Schrift: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen (1 Kor.1:19). Maar van de kennis die tot aanbidding brengt zegt de Schrift: Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn; daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten (Hosea 4:6).

De kennis waarvan vers 6 spreekt, kan niet opgeblazen maken, omdat – en nu komen we dan aan onze tafeltekst – deze kennis ons het besef geeft dat het een schat is die geborgen is in aarden vaten. Deze kennis heeft God namelijk toevertrouwd aan mensen, hier ‘vaten’ genoemd, die maar heel broze instrumenten, werktuigen zijn. Deze kennis, die ons God doet aanbidden, is een mogelijkheid voor God om Zich te openbaren aan de wereld om ons heen!

Wonderlijk dat in onze tafeltekst aan de ene kant de broosheid van het instrument, de mens, wordt weergegeven, maar aan de andere kant de ‘kracht’ die van het broze werktuig uitgaat naar de wereld om ons heen! Want ‘de kracht, die alles te boven gaat’ zouden we ook eenvoudig kunnen vertalen met: voortreffelijke bekwaamheid. Deze voortreffelijke bekwaamheid krijgt alleen gestalte in de aanbidding. Want alleen als we Hem aanbidden functioneert deze voortreffelijke bekwaamheid naar de wereld om ons heen.

Als we de tafeltekst van de komende week met elkaar opzeggen, kan het verlangen groeien, dat we meer dan ooit vanuit de aanbidding zullen leven. Dan zullen wij voor de wereld om ons heen tot openbaring komen als echte, eenvoudige, broze, maar toch ook weer loeisterke, zonen en dochters van God!

Bijbeltekst week 2019 – 44

Vreest niet, want God is gekomen om u op de proef te stellen, en opdat er vrees voor Hem over u kome, dat gij niet zondigt.

 Exodus 20:20

Bijna 70 keer staat in de Bijbel (O.T.) dat God de mens tegemoet komt met: ’Vrees niet’. Het Hebreeuwse werkwoord heeft vaak een tegengestelde betekenis. Het meest heeft het de betekenis van ‘vrezen, bang zijn voor’, maar vaak heeft het een andere betekenis, zoals ‘eren’ (Richt. 6:10) of ‘met ontzag vervuld zijn’ (1 Kon.3:28). In onze tafeltekst komt dit werkwoord 2 keer voor. ‘Vreest niet’ en dan betekent het inderdaad: weest niet bang. Maar in het tweede gedeelte heeft het de betekenis van ‘met ontzag vervuld zijn, vereren’.

Als we bang zijn voor God proberen we Hem te ontlopen, maar als we met ontzag vervuld zijn, willen we Hem kennen in al onze wegen, opdat Hij onze paden recht zal maken: Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden recht maken (Spr.3:6).

Als we vervuld worden met een diep ontzag voor God, leren we Hem kennen, zoals Hij werkelijk is. Dan worden we verlost van al onze eigen ‘godsbeelden’. Vol verwondering en geluk buigen we ons voor Hem: vertrouwen we ons aan Hem toe. Dan gaan we Hem liefhebben, boven alles. En in het schuilen bij Hem, heeft de boze geen vat op ons: Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; want Hij, die uit God geboren werd, bewaart hem, en de boze heeft geen vat op hem (1 Joh.5:18).

Maar geen mens kán bij God schuilen zonder gereinigd te zijn van de zondelast, d.w.z. van de vijandschap tegen God! En het is niet genoeg om te geloven dat Jezus is gestorven, opdat deze vijandschap doorbroken zou worden, want dat doen de boze geesten ook: (Jak.2:19) Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wél, [maar] dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen. Nee, het is onmogelijk om bij God te schuilen tenzij wij een ‘nieuwe schepping’ zijn: een wedergeboren mens. Daar valt de diepe scheiding tussen mensen die het ‘wel geloven’ en de mensen die werkelijk ‘leven’.

Als in onze tafeltekst staat dat God ‘gekomen is’, dan betekent dit, dat God ons ‘opgezocht’ heeft, dat God is ‘neergedaald’ tot ons, verloren mensen, om ons uit te redden. Dat wijst naar de komst van Jezus Christus. Uit die hoop hebben Adam en Eva al geleefd en met hen al de mensen van de ‘heilige lijn’ die in het Oude Testament van de Bijbel beschreven staat. Daar mogen ook wij uit leven, door het geloof dat de Christus gekomen is. En dus niet alleen door te geloven, maar door te leven uit de werkelijkheid van de verlossing. Dan kunnen we, ieder moment van de dag, onze toevlucht zoeken bij Hem, die ons tegemoet is gekomen, Jezus Christus, die ons bij de Vader brengt: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh.14:6).

Als door de dagelijkse wandel met Jezus de eerste vrees (bang zijn voor God) verdwenen is, schuilen we als onbevangen kinderen bij Vader, die ons onderwijst en ons de weg wijst, waar we dan niet meer van kunnen afdwalen. Want door beproevingen heen leert Hij ons bij Hem te blijven schuilen, zodat de boze geen vat meer op ons heeft. Dan blijkt het heel duidelijk dat alleen Hijzelf de garantie voor ons leven is, dat wij ‘niet zondigen’: niet meer van het doel en de zin van het Leven af te leiden zijn. Jezus Zelf is het Die ons, door beproevingen heen, leert om voor tijd en eeuwigheid aan Hem ‘verkleefd’ te zijn en te blijven: Mijn ziel is aan U verkleefd, uw rechterhand houdt mij vast (Psalm 63:9).

Voor de duidelijkheid nu nog een vrije vertaling van onze tafeltekst: ‘Wees niet bang, want God is tot ons neergedaald om ons betrouwbaar te maken (in de wandel met Hem) zodat er een kinderlijk ontzag voor Hem over ons komt, zodat wij, aan Hem verkleefd, nooit meer van het Levenspad zullen afdwalen’.

Bijbeltekst week 2019 – 42

Gij maakt mij het pad des levens be­kend; overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheid is in uw rech­terhand, voor eeuwig.

Psalm 16:11

We hebben voor deze week een jubeltekst uit de Psalmen. Laat het maar jubelen, elke dag dus wel drie keer! Wat een vreugdevolle ontdekking geeft die eerste regel weer: Gij maakt mij het pad des levens be­kend; …

We ontdekken het pad des levens dus niet zelf, door studie of meditatie, maar God maakt ons het pad des levens bekend. Dit ‘bekendmaken’ heeft niets te maken met ‘aankondigen’, ‘proclameren’ of iets dergelijks. Nee, we kunnen het veel beter vertalen met: ‘doen verstaan’, zoals in Deut.29:4  Doch de HERE heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op de huidige dag. Ja, zo was het toen Israël nog in de woestijn ronddoolde. Maar de psalmist jubelt het uit: Ik mag het pad des levens verstaan!

We kunnen ‘bekendmaken’ ook nog met ‘zich bewust zijn van’ vertalen, zoals in 1 Kon.2:44 Gij weet al het kwaad, – uw hart is zich daarvan bewust -, dat gij mijn vader David hebt aangedaan; …

Verder is ook een heel mooie vertaling: ‘aanwijzen’, zoals in Job 38:12 Hebt gij ooit in uw leven de morgen ontboden, de dageraad zijn plaats aangewezen, … En het woord ‘pad’ mogen we ook vertalen met ‘wandel’ of ‘levensweg’. Terwijl we het Hebreeuwse woord ‘leven’: ‘chai’, beter kunnen vertalen, als het om mensen gaat, met: actieve levendigheid. Hoe begrijpelijk wordt dan de vreugde die van deze tekst uitstraalt: Gij maakt mij bewust hoe sprankelend het leven is dat U ons schenkt.

Nu gaan we naar de tweede versregel: overvloed van vreugde is bij uw aangezicht, … We beginnen bij het laatste gedeelte, want daarin zit de kern van deze regel: bij uw aangezicht. Het woord ‘aangezicht’ is ook te vertalen met ‘tegenwoordigheid, aanwezigheid’. Heel eenvoudig is deze regel daarom te vertalen met: Als we in Uw aanwezigheid zijn dan worden we verzadigd van vrolijkheid en blijdschap.

Alleen in de echte ‘aanwezigheid’ van God is waarheid. Van deze werkelijkheid getuigt koning David. En alleen als wij deze werkelijkheid kennen in ons leven, kunnen ook wij deze woorden uitjubelen…   Als we in Uw aanwezigheid zijn dan worden we verzadigd van vrolijkheid en blijdschap. Wat een zegen als ons huis, als de Gemeente waar wij toe mogen behoren, vervuld is met de aanwezigheid van God, waarvan zowel het Oude – als het Nieuwe Testament getuigen: Gen.28:15  En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, … en: Matt.28:20  En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.

Het kan gewoonweg niet op. Want in de aanwezigheid van God is er pure blijdschap en vreugde. Daarom zegt David in de derde regel van dit lied: liefelijkheid is in uw rech­terhand, voor eeuwig.

Liefelijkheid heeft niets te maken met ‘zoetigheid’. Nee, dit woord is te vertalen met: ‘aangename, goed klinkende muziek’. Daarbij moet ik denken aan de woorden van Paulus uit Efeziërs 5:19  en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Here van harte. Dit komt zomaar vanzelf, als we verstaan wat de woorden: in uw rech­terhand, inhouden. ‘Rechterhand’ is een Hebreeuws woord met heel veel betekenissen, zoals: ‘recht, rechterhand, rechterzijde, rechts (van richting), zuidwaarts’. Maar figuurlijk betekent het: ‘het recht, het goede beleven in Zijn nabijheid’. Deze laatste regel van dit psalmvers kunnen we dus vertalen met: In Uw nabijheid kunnen we pas echte muziek maken.

En nu nog: voor eeuwig. Het Hebreeuwse woord, dat hier gebruikt wordt, wijst op de inhoud van het eeuwig voortdurende: steeds maar doorgaande begeleiding. Het gaat hier om de eeuwigdurende nabijheid en begeleiding van God, waardoor we van harte vrolijk kunnen zijn.

Als we deze tafeltekst opzeggen, dan willen we dus alle ‘Baäldienst’ voorgoed afzweren om alleen nog maar Gods nabijheid te zoeken tot in ieder detail van ons leven.

Bijbeltekst week 2019 – 43

Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God.

Micha 6:8 

Micha profeteerde in de tijd van koning Hizkia. Hij was een tijdgenoot van de profeet Jesaja. Micha sprak vol gloed over de komst van het Vrederijk (Micha 4:1-4) als troost voor degenen, die zijn profeteren over de ondergang van het noordelijke Rijk ter harte hadden genomen (Micha 1:1-8). Maar hij geselt de zonden van de heersende klassen: de omkoopbaarheid van de profeten, de hebzucht van de priesters die ook recht spraken, en de hardvochtigheid van de rijken jegens de armen (hoofdstuk twee en drie).

Maar te midden van al deze harde woorden tegen een volk dat, zelfgenoegzaam, niet meer luisteren wil naar de stem van God, staan deze liefelijke woorden, die voor deze week onze tafeltekst zullen zijn: Hij heeft u bekendgemaakt, o mens… 

Micha en Jesaja waren in die tijd niet de enige profeten. Het was de bloeitijd van de profeten: ze waren wat je noemt ‘in’. Ze hoorden bij het leven van de hoge stand in Israël, ze werden uitgenodigd bij de luisterrijke feesten. Maar naar wat zij spraken in de Naam van God, werd niet geluisterd. Ach ja, wel geluisterd, maar niet aan gehoorzaamd. We hoeven dat niet verder uit te leggen, want dat begrijpen we maar al te goed…  De woorden die de profeet Micah sprak, waren voor degenen die wél luisteren wilden. Want alleen aan de luisterende mens kan God iets ‘bekend maken’. Dit ‘bekendmaken’ heeft niets te maken met ‘proclameren’. Maar wel met ‘mededelen’ of beter nog met ‘duidelijk maken’, ‘te kennen geven’, of nog beter: ‘te weten laten komen’, ‘uitleggen’.

Ook hier leren we God weer kennen zoals Hij werkelijk voor ons wil zijn: een liefdevolle, zorgzame Vader, voor hen die niet alleen Zijn schepsel willen zijn, maar kind willen zijn, zoon en dochter willen zijn.

Aan hen vertelt Vader, dat het leven zo eenvoudig is, in het schuilen bij Hem. Hij vraagt van Zijn kinderen niet anders dan. Dat betekent: ‘alleen maar’. De woorden, zoals ze in onze tafeltekst vertaald staan, klinken nogal zwaar: niet anders dan recht te doen. Maar we mogen het ook anders vertalen: niet anders dan te gehoorzamen aan wat Hij ons heeft voorgeschreven. Gods voorschriften zijn aanbevelingen, richting aangevend voor werkelijk leven: Tora, wat dus niet slechts wet betekent. Als we God hebben leren kennen als onze liefhebbende, eeuwige Vader, dan beleven we de rijkdom van Zijn voorschriften, van de Tora, als raadgevingen, die overigens wel dienen opgevolgd te worden, willen we echt kunnen leven.

Dan gaat onze tekst verder met: en getrouwheid lief te hebben. Het woord ‘getrouwheid’ klinkt ook weer zo zwaar. Maar dit woord krijgt zo veel warmere inhoud als we zien hoe het ook vertaald kan worden, met: ‘goedheid’, ‘vriendelijkheid’ of ‘vriendschap’. Laten we er vooral op letten dat er niet staat: getrouwheid in acht nemen of zoiets, maar liefhebben.

En nu nog het laatste gedeelte van deze liefelijke woorden van, de overigens zo strenge profeet, Micha: en ootmoedig te wandelen met uw God.

We gebruiken het woord ‘ootmoed’ vaak zonder werkelijk te verstaan wat dat betekent. In onze tekst staat er niet ‘ootmoed’ maar ‘ootmoedig zijnde’. Het staat in een werkwoordsvorm die om een andere vertaling vraagt: ‘bescheiden zijn’. De woorden van de profeet Micha roepen ons op om in het wandelen met God, in het Hem kennen in al onze wegen, geen geweldenaar te zijn.

Als we van harte onze tafeltekst opzeggen, dan spreken we uit dat we in alle eenvoud Vader willen gehoorzamen, Die ons dan veilig in het Koninkrijk van Zijn Zoon zal aanbrengen. Want Hij is niet alleen onze Hemelse Vader, maar de HERE. En dat is: Degene, Die in alles het laatste Woord heeft.

Bijbeltekst week 2019 – 41

Maar de rechtvaardigen ver­heugen zich, zij juichen voor Gods aangezicht­ en zijn blijde met vreugdebetoon.

Psalm 68:4

Omdat de tafeltekst begint met het woordje ‘maar’, moeten we wel aandacht besteden aan wat er voor staat. Belangrijk is vooral in het 2e vers van deze psalm de tekst: God staat op. Dit is een prachtige uitdrukking. De eigenlijke betekenis is: God maakt Zich gereed, gaat op weg. Hij verheft Zich dus. Want het betekent: God laat zich zien, Hij openbaart Zich, Hij treedt handelend op. Dit is de grondtoon van deze psalm: God is niet ver weg, maar heel nabij. Hij ontfermt Zich over ons. Alle ellende verdwijnt dan als sneeuw voor de zon. Alles wordt eenvoudig, omdat de duisternis op de vlucht gaat.

En nu onze tafeltekst: Maar de rechtvaardigen ver­heugen zich. Wat zijn de ‘rechtvaardigen’? Dat zijn degenen die onschuldig zijn. Wat zijn dat voor mensen? De Prediker zegt: Want niemand op aarde is zo rechtvaardig, dat hij goed doet zonder te zondigen (Prediker 7:20).

Maar dan kunnen er toch geen onschuldigen bestaan?

Daarom is het woord ‘rechtvaardige’ juist ook zo mooi, want een rechtvaardige is iemand die ‘recht vaart’, in wie niets ‘dubbel’ is. Hij bestaat alleen bij het wonder, dat God ‘opstaat’, Zich openbaart. Alleen dan komt er duidelijkheid: licht is licht en duisternis blijkt echt duisternis te zijn. Als God Zich openbaart, komt er een scheiding van geesten; wie bij Hem schuilt wordt verlost van al het ‘dubbele’, van alle kronkels… De tafeltekst beschrijft het ‘schuilen bij Hem’ op zo’n rijke manier. Om dit duidelijk te maken kunnen we de tekst veranderen; een beetje omkeren: Zij die zich ver­heugen en juichen voor Gods aangezicht­, en die blijde zijn met vreugdebetoon, zijn rechtvaardigen.

Een rechtvaardige is iemand die zich verheugt. Dit werkwoord betekent: innerlijk blij zijn. Echte innerlijke vreugde is er alleen, als je opmerkt, dat God naar ons omziet en handelend optreedt: Zie, Ik maak alle dingen nieuw (Openbaring 21:5).

Niemand kan deze tafeltekst, die uitpuilt van vreugde, blijdschap en pret, van harte opzeggen, tenzij hij z’n denken laat bepalen door het handelen van God. Wie uitgekeken is op de wereld van vandaag, door uit te zien naar Zijn handelen, gaat deze vreugde beleven en voelen opborrelen in z’n hart. Deze blijdschap is een vrucht van Gods Geest: Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing  (Galaten 5:22). Wie dat eenmaal geproefd heeft, verstaat het dat rechtvaardigen ‘innerlijk blij zijn’ . . .

Onze tafeltekst tuimelt nog verder in de blijdschap: zij juichen voor Gods aangezicht. Dit is heel speels: opspringen, huppelen van vreugde. Ja, daar is die ‘innerlijke’ vreugde voor nodig. Maar die is er ook alleen als we voor Gods aangezicht zijn. Dit betekent: in Gods tegenwoordigheid zijn. Geheel anders is dat in de ‘godsdienstigheid’. Daar wordt alles zo steriel-plechtig, met kaarsen en wierook…  Nee, de beschrijving van een ‘rechtvaardige’ in de Bijbel is zo anders: een kinderlijk, speels en blij mens, omdat hij God kent in alle details van zijn leven. Daar heb je geen sfeertjes voor nodig. Al dat ‘plechtige’ bevredigt alleen maar het vrome vlees. En dat kent een rechtvaardige niet. Nee, hij is blijde met vreugdebetoon. Dit ‘blijde’ beleeft niets van ‘plechtigheid’, want het betekent: vrolijkheid, plezier, feestelijkheid. En het woord ‘vreugdebetoon’ beschrijft de bron van de vreugde: niet om de pret, maar ‘plezier hebben in’… de aanwezigheid van God!

Als we onze tafeltekst opzeggen, mogen we beseffen, dat deze echte vreugde er alleen kan zijn – te midden van alle verwording en vervreemding van God –  als wij, juist daarom, bij Hem schuilen, letten op Zijn handelen onder ons. Dan maakt God Zelf ons immers tot ‘rechtvaardigen’, die zo geheel anders zijn dan we dachten: eenvoudige, blije mensen, die het nooit kunnen nalaten, om onder alle omstandigheden naar Gods handelen te blijven kijken.

Bijbeltekst week 2019 – 40

De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!

Romeinen 13:12

Onze tafeltekst spreekt overdrachtelijk over dag en nacht. In deze zin moeten we het woord ‘dag’ zien als de tijd om zich te onthouden van uitspatting, ondeugd, misdaad, omdat daden van die aard ‘s nachts en in duisternis bedreven worden. Het woord ‘dag’ kun je zien als een symbool van alles wat het licht verdragen kan, het licht niet schuwt. Daar tegenover staat het begrip ‘nacht’ als de tijd waarop het normale werk stil ligt, de tijd voor daden die het licht niet verdragen, de tijd van het leven in de dood…

Onze tekst zegt: De nacht is ver gevorderd. Dit ‘ver gevorderd’ kunnen we ook vertalen met: ‘snelle voortgang hebben, toenemen’. Het ‘nachtleven’ is er altijd geweest, door de eeuwen heen. Maar nu is ‘de dag’ – de periode dat men werkt – er vaak alleen om het nachtleven te beleven: de tijd van de dood, de tijd voor daden van zonde en schande. Dit laatste is overigens alleen de beschrijving, vanuit het ‘licht’ gezien, want in ‘de nacht’ is dit alles eigenlijk gewoon, gezellig, ontspannend etc.

De nacht is ver gevorderd betekent dat het hierboven beschreven leven, wat vroeger alleen ‘s nachts plaats vond, nu niet meer verborgen is, maar ‘gewoon’ is geworden. En dat we er steeds meer gewoon aan raken, tenzij we ons bewust worden, dat ‘de dag nabij is’, zoals onze tafeltekst vertelt. Vaak wordt in de Bijbel gesproken over de dag als de laatste dag van deze tegenwoordige eeuw, de dag dat Christus zal wederkeren uit de hemel, de doden zal opwekken, het eindgericht zal houden en Zijn koninkrijk zal voltooien. Immers op die dag zal alles wat in de ‘duisternis’ gewerkt werd aan het ‘licht’ komen: Ef.5:13  maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht.

Iedereen die zich hier van bewust is, gaat een hekel krijgen aan alles wat tot de ‘nacht’ behoort. Het verlangen om open, klaar en helder, heel eenvoudig te leven, verdrijft de ‘nacht’ uit ons leven. De ‘nachtkleding’ willen we niet meer! Die past alleen bij de bezigheden van de ‘nacht’. Maar als we niets meer van doen willen hebben met de ‘bezigheden’, de ‘werken’ van de nacht, van de duisternis, dan willen we ons ‘bekleden’ met de ‘wapenrusting’ die we nodig hebben om alles tot stand te brengen wat bij de dag hoort. Dit alles staat eigenlijk in onze tafeltekst: Waar we ‘de Dag’ zien naderen willen we de werken der duisternis afleggen. Dat wil zeggen, dat we alle bezigheden die tot de nacht behoren, willen afleggen, weg doen.

Als we in plaats van ‘nacht’ nu eens ‘vlees’ zetten: alles wat belangrijk is, kan zijn, voor het tijdgebonden leven. En voor ‘dag’ het woord ‘geest’ zetten: alles wat belangrijk is en met het hemelburgerschap te maken heeft. Dan roept de tafeltekst ons op om alles opzij te schuiven, wat alleen maar te maken heeft met het hier en nu, zonder God en: aandoen de wapenen des lichts. Het woord ‘aandoen’ betekent: zich kleden in, verzinken in, zich omringd weten met. En het woord ‘wapenen’ heeft niet alleen met ‘oorlogstuig’ te maken, maar kan ook eenvoudig vertaald worden met: gereedschap om iets te maken.

Dan zie ik zo voor mij een werkplaats, waar een vrolijk lied klinkt en mensen met plezier bezig zijn om iets te maken, wat straks gebruikt zal worden; straks als de bazuin klinkt en Zijn voeten op de Olijfberg staan, als Zijn Rijk aanbreekt. Immers, onze tafeltekst spreekt toch eigenlijk van dat ogenblik, van die Dag…

Als we die Dag zien naderen, dan gaan we aan de slag; de nachtkleding uit, de werkkleding aan. Omringd door alle werktuigen die nodig zijn en gereedliggen, om de werken te werken, die God voor ons bereid heeft; al vóór de grondlegging van deze wereld!

Bijbeltekst week 2019 – 39

Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.

Johannes 15:5

Wat een prachtige tekst voor deze week. Jezus vergelijkt Zich hier met een wijnstok, en degenen die van Hem zijn met de ranken, om daarmee uit te drukken hoe nauw de relatie tussen Hem en ons moet zijn. Even daarvoor heeft Hij dit beeld ook gebruikt, maar dan in relatie tot onze hemelse Vader:  Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Toch is het beeld dat Hij in het eerste vers gebruikt anders dan in het vijfde. In onze tafeltekst voor deze week splitst Hij de wijnstok op in de wortelstam en de ranken, maar in het eerste vers doelt Hij op de hele plant.

Het is goed om te luisteren naar wat Jezus in de eerste verzen zegt, willen we de tekst voor deze week beter begrijpen: Let op wat de Landman (onze hemelse Vader) doet. Hij bekijkt elke rank met grote aandacht. Als Hij ziet dat er geen vruchten komen aan de rank, dan neemt Hij die tak weg, omdat deze tak niet beantwoordt aan het doel. Want het gaat bij de landman niet om de ranken, maar om de vruchten. Daarom schenkt Hij alle aandacht aan de ranken die wel vrucht dragen. Vanaf het eerste begin let Hij er op, in vreugdevolle zorg, dat de vruchtbare ranken alles krijgen wat ze nodig hebben: lucht, zonlicht, en verder neemt Hij van deze vruchtbare ranken alles weg wat te veel is voor de volle ontwikkeling van de vruchten. Dan bloedt de rank misschien wel even en misschien begrijpt de rank niet waarom die prachtige zijtakken worden afgeknipt…

En nu de tekst voor deze week:

Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.

Hierin vertelt Jezus hoe het komt dat er takken zijn die veel vrucht dragen. Heel eenvoudig, omdat een tak die niet volledig en gezond met Hem verbonden is, nooit vrucht kan dragen. Er kunnen wel bloesems aan komen, heel veelbelovend, maar na de bloei blijft er niets over.

Als dit tot ons doordringt, wat zullen we dan bij het lezen van de tekst van deze week bereid worden om met vreugde en verwondering het snoeimes van de Landman in ons leven van iedere dag toe te laten. Omdat het snoeimes van Hem in ons leven een teken is, dat we echt met Jezus verbonden zijn, als de rank met de wijnstok. Dan mogen we, vol vertrouwen in de Landman, uitzien naar de vruchten die heel zeker niet zullen uitblijven.

Bijbeltekst week 2019 – 38

HERE, wees ons genadig. Op U hopen wij; wees onze arm elke morgen, ja ons heil in tijd van benauwdheid.

Jesaja 33:2

In de tafeltekst van deze week wordt de kostbare Naam van God gebruikt: HERE. Altijd als dit woord in de Bijbel met hoofdletters geschreven staat, betekent dit dat hier de Naam van God staat, waarmee Hij Zich bekend heeft gemaakt aan Zijn volk Israël, toen Hij hen uit het slavenhuis redde. Deze Naam van God was niet onbekend. In de geschriften, die Mozes gebruikte om het boek Genesis samen te stellen, komt deze Naam al voor. De oudste geschriften, waaronder de ‘Scheppingshymne’, ontstonden al ruim 2500 jaar vóór Abraham. En in Mesopotamië liet Koning Hammurabi op een hoge zuil zijn wetten schrijven, waartussen het zinnetje staat: de HERE is koning.

In het Hebreeuws staat, net als in het Nederlands, dit woord geschreven met vier letters; medeklinkers, zonder klinkers. Dat is moeilijk uit te spreken voor degenen die de taal niet zo goed kennen. Later heeft men er klinkers aan toegevoegd. Maar niet dié klinkers die bij de Naam horen, maar, uit eerbied voor deze heilige Naam, de klinkers van ‘adonai’: heer. Hierdoor ontstond het woord dat je uitspreekt als Jehova. Maar de diepe betekenis van de werkelijke Naam van God is: ‘de (eeuwig) Bestaande’ of ‘Ik ben er voor jullie’. Deze rijke betekenis is afgeleid van de basis van deze Naam, die gevormd wordt door het werkwoord ‘zijn’. De betekenis van dit ‘zijn’ is ook heel veelkleurig: 1) tot hulp zijn, 2) vervullen, 3) toebehoren, 4) omringen, en ga zo maar door.

De HERE is dus onze God, Die ons ter hulpe is, Die Zijn beloften aan ons vervult, aan wie wij toebehoren, Hij is het, Die ons omringt.
Tot deze God richten wij ons gebed: wees ons genadig. Het werkwoord ‘genadig zijn’ klinkt zo veel warmer als we het, heel terecht, vertalen met ‘genegenheid toedragen’. God ontfermt Zich over ons, omdat Hij ons liefheeft! Als wij bidden: wees ons genadig, dan spreken wij eigenlijk uit, dat wij ons willen overgeven aan Zijn genade: aan Zijn liefdevolle genegenheid.

Op U hopen wij. Dit ‘hopen’ is zo veel anders dan wij het kennen in: nou ja, ik hoop het… We mogen dit Hebreeuwse werkwoord ook best vertalen met:
verwachten, vurig uitzien naar. Wees onze arm elke morgen. Het woord ‘arm’ betekent veel meer: kracht. Zo wordt het ook heel vaak in de Bijbel vertaald.

En elke morgen heeft simpel de betekenis van: altijd, van ogenblik tot ogenblik. En dan het woord heil. Wat prachtig is dat, als we beseffen dat ook hier weer het Hebreeuwse woord ‘Jeshoeah’ staat. Dit woord, dat wij vaak vertalen met ‘Jezus’ als eigennaam van onze Heer, betekent Redding, Verlossing.
Dan rest ons nog om het woord benauwdheid te bekijken. Dit woord is ook te vertalen met: nood, verdriet, onrust of moeilijkheid.

Natuurlijk laten we onze tafeltekst staan zoals hij in de Bijbel staat. Maar om de inhoud goed tot ons te laten doordringen volgt hier even een andere vertaling: God, U die er altijd voor ons wilt zijn, wij zien naar U uit; wees ieder ogenblik van de dag onze sterkte, ja onze verlossing, onze uitredding als we verdrietig, als we onrustig zijn.

Bijbeltekst week 2019 – 37

Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven.

Johannes 10:27, 28

Het woord ‘schaap’, als dat niet letterlijk voor een stuk kleinvee gebruikt wordt, heeft vaak niet zo’n gelukkige betekenis. ‘Arm schaap’, schaapachtig, enz. … In het Nieuwe Testament wordt met een ‘schaap’ bedoeld: de altijd maar voortgaande – grazende – mens, die er in z’n eentje niet komen kan. Dat beeld wordt doorbroken door wat er op volgt: zij horen naar Mijn stem. Dat woord ‘horen’ betekent hier niet: waarnemen, al zou dat al iets heel geweldigs zijn! Stel je toch voor dat we Zijn stem zouden ‘horen’! Nee, het werkwoord ‘horen’ betekent hier meer dan alleen maar ‘opmerken’, het betekent: leren gehoor geven aan onderwijzing of aan een leraar. Daardoor komt er een eind aan het monotone voortjagen in de vanzelfsprekende sleur van iedere dag. De maar voortjakkerende mens wordt, door het gehoor geven aan de Stem van de Herder, tot een wakker en leergierig mensenkind. Het woord ‘stem’ moeten we ook goed begrijpen. Eigenlijk is het niet meer dan de klank, de toon, het geluid van gesproken woorden.

Wat heeft God al niet vaak tot ons gesproken, door de tijden heen. Ach, je weet wat er gezegd wordt, in de samenkomsten, in de toerustingsavonden . . . en je graast maar door, als mensen waarvan de Bijbel zegt: die zich te allen tijde laten leren, zonder ooit tot erkentenis der waarheid te kunnen komen (2 Tim. 3:7). Ja, dan ‘graas’ je maar door, totdat . . .  je gehoor geeft aan de woorden die al zo vaak geklonken hebben. Dat is het wonder van de werking van de Heilige Geest in ons leven.

Wat is het rijk als we werkelijk stoppen met het verburgerlijkte voortjakkerende, grazende christelijke leven en Zijn Woord gaan verstaan! Want dan gaan we Jezus ‘volgen’. Dat betekent niets minder dan: ons als leerling bij Jezus voegen, ons bij Hem aansluiten om achter Hem aan te gaan, waarheen Hij ons ook voeren zal. Pas in dat werkelijk als leerling Hem volgen, zullen we niet verhongeren, geestelijk armoe lijden, maar echt ‘leven’: verkeren in de toestand van iemand die levenskracht heeft of bezield is. En dat niet maar zo af en toe, maar eeuwig: zonder begin en einde, dat wat altijd geweest is en altijd zal zijn. Dan verzadigen we ons altijd, eeuwig, bij de Bron, die Hij is en gaan we niet verloren: vernietigd worden, geheel uit de weg geruimd worden, ten onder gaan, omkomen. Er blijft dan niets over van het ‘schaapachtige’, nee, dan maakt Hij ons tot een koperen onneembare muur, zoals Jeremia het van God moet zeggen: Dan zal Ik u voor dit volk maken tot een koperen, onneembare muur, en zij zullen tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u om u te helpen en te bevrijden, luidt het woord des HEREN (Jeremia 15:20).  Wat een machtig woord van troost en bemoediging voor degenen die zo’n woord van God meekrijgen, het verdere leven in…

Jezus besluit Zijn woorden met: en niemand zal ze uit mijn hand roven. Dit is ongeveer dezelfde belofte als in de woorden van Jeremia naar voren komt, want het werkwoord ‘roven’ betekent: grijpen, met geweld wegnemen, beslag leggen op.

Als we door het gehoor geven aan de woorden van Jezus veranderen tot leerlingen van de Allerhoogste, zijn we zó veilig in Zijn Hand, dat niemand ons daaruit kan roven. Dan hoeven we dus nooit meer op onszelf te passen, voor onszelf op te komen…

Wat zal er dan veel tijd overblijven, vrij komen, om ons geheel te gaan wijden aan de geweldige opdracht die Hij ons geeft om Zijn getuigen te zijn, een waarschuwingsteken voor de grote mensen-kudde, die voortjagend de (zelf)vernietiging tegemoet ‘graast’!

Bijbeltekst week 2019 – 36

 O HERE, Gij zijt mijn God, U zal ik verheffen, uw naam loven, want Gij hebt wonderen gedaan, raadsbesluiten uit een ver verleden in waarheid en trouw volvoerd.

Jesaja 25:1

 Wat is het toch goed om altijd de hele tekst rondom de tafeltekst door te lezen. De tafeltekst van deze week staat te midden van woorden die profeteren over een geheel nieuwe wereld: het komende Godsrijk op aarde. In de teksten ervoor profeteert Jesaja over de vernietiging van alles wat zichzelf verheven heeft: Jesaja 24:21  En te dien dage zal het geschieden, dat de HERE bezoeking zal brengen over het heer der hoogte in den hoge en over de koningen der aarde op de aardbodem.

Wonderlijk is ook de vreugde van de profeet over de totale afbraak van Jeruzalem, dat helemaal geen stad van God meer bleek te zijn: Jesaja 25:2  Want Gij hebt de stad tot een steenhoop gemaakt, de versterkte veste tot een bouwval, de burcht der vreemden tot wat geen stad meer is; in eeuwigheid zal deze niet herbouwd worden.

Veel zal afgebroken worden voordat de grote Dag aanbreekt. Maar het zal zeker zo worden, dat Jeruzalem weer de Stad Gods zal zijn: Jesaja 24:23  Dan zal de blanke maan schaamrood worden, en de gloeiende zon zal zich schamen, want de HERE der heerscharen zal Koning zijn op de berg Sion en in Jeruzalem, en er zal heerlijkheid zijn ten aanschouwen van zijn oudsten.

Ja, het zijn ongelofelijke dingen die staan te gebeuren. Maar hoe zouden we dit alles kunnen geloven, hoe zou ons leven door dit alles bepaald kunnen worden, als… de tafeltekst voor deze week niet ons leven en denken, dag en nacht, bepaalt! Te midden van al deze kleurrijke toekomstige gebeurtenissen staat als een rots het Woord voor deze week: O HERE, Gij zijt mijn God, U zal ik verheffen, uw naam loven.

De reden voor deze aanbidding is, dit keer, niet de aankondiging door Jesaja van alles wat dus komen gaat, maar: want Gij hebt wonderen gedaan. Het woord ‘wonderen’ betekent eigenlijk: buitengewoon moeilijk te begrijpen dingen. Het verlangen van Jesaja om Gods naam te loven is, dat God buitengewoon moeilijk te begrijpen dingen gedaan heeft. Dus niet de belofte dat Hij het doen zal, maar gedaan heeft. Echte aanbidding is er alleen als we ons ‘verwonderen’: erkennen dat er moeilijk te bevatten dingen van Godswege gebeurd zijn. Ja, dat is weer een kenmerk van wat we Bijbels realisme noemen.

De aanbidding bij Jesaja was er niet, omdat God weer veel openbaarde van wat Hij zal gaan doen, maar omdat God veel gedaan heeft! En dan gaat het hier niet in de eerste plaats om het directe handelen van God in ons dagelijks leven maar omdat God: raadsbesluiten uit een ver verleden in waarheid en trouw volvoerd heeft. Het woord ‘raadsbesluiten’ willen we hier liever vertalen met: plannen of voornemens. Bij het woord ‘raadsbesluit’ denk je zo gauw aan plechtige vergaderingen van belangrijke mensen . . .

Nee, hier moeten we denken dat de eeuwige God Zijn plannen en voornemens ‘in een ver verleden’: in een onmetelijke, eeuwige tijdsafstand  – heel mooi samengevat is dit in de eerste woorden van de Bijbel: in den beginne – , gesproken heeft. Deze ‘woorden van God’ heeft God in ons leven ‘volvoerd’ (simpelweg te vertalen met ’gedaan’). Er is geen kracht in het profetische woord van de Bijbel tenzij we juichen bij het zien, dat God ook nu, in ons leven, Zijn woord aan en in ons vervult!

Dit woord zal doel en zin krijgen als we deze week, en altijd, juichend doorbrengen en onze God ‘verheffen’: als we God op de eerste, de hoogste plaats stellen. Laten we daarom Zijn ‘Naam’, Zijn roem loven. Het woord ‘loven’ kunnen we vertalen met: lofzingen, danken, vanwege Zijn woord, dat Hij dagelijks in ons leven in ‘waarheid’ vervult. Hier kunnen we ook zeggen: in ‘getrouwheid’ vervult. In het Hebreeuws staat het zo, dat je het zou kunnen vertalen met: dat Gij Uw plannen…  in getrouwheid uitgevoerd hebt. En dan als slot de uitroep: AMEN.

Bijbeltekst week 2019 – 35

Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus.

Efeziërs 1:3

Wat een jubelroep mogen we deze week telkens weer uitroepen, als we samen aan tafel gaan! De tekst begint met ‘gezegend’. Dit werkwoord heeft een heel diepe betekenis. Het is in ieder geval iets heel vreugdevols. Als we dit vreugdevolle aan God brengen, kunnen we dit het beste vertalen met: Laten we met plechtige gebeden de God en Vader van onze Here Jezus Christus eren.

Nu gaan we het bekende woordje ‘Here’ met aandacht te bekijken. Dit woord is afgeleid van het woord ‘kracht, macht’. Tijdens het Nieuwe Testament werd ‘Here’ gebruikt voor mensen die meester of bezitter waren van anderen, over wie zij de bevoegdheid hadden om te beslissen. De koning van het Romeinse rijk werd daarom ook zo genoemd: kurios, keizer. Wat machtig om te bedenken dat wij onze Heiland ook kurios, keizer noemen. Want daarmee spreken we uit dat Hij meester of bezitter is van ons en dat Hij de bevoegdheid heeft om over ons te beslissen in alle dingen van ons leven…

Nu het tweede gedeelte van de tekst: die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. Wat houdt het woord ‘zegen’ in onze tekst in? Het woord kan op zich zelf betekenen: lof, roem, weldaad, wijding. Graag kiezen we in onze tafeltekst, omdat het hier in het enkelvoud staat, voor de betekenis van ‘wijding’. Vooral als we denken aan de betekenis van het woord ’geestelijke’, dat er voor staat. Het is een bijvoeglijk naamwoord dat de betekenis heeft van: deel van de mens, dat verwant is aan God en dienst doet als Zijn instrument. Wat moeten we hieronder verstaan? We denken dat de apostel Paulus hiermee doelt op het nieuw geboren leven.

De nieuw geboren mens bestaat uit een: geest, ziel en lichaam. In zijn brief aan de Korintiërs schrijft Paulus: Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. (1 Korintiërs 2:14)

Overal ter wereld waar mensen zijn,  is er sprake van ‘religie’. Een godsdienstig mens hoeft -helaas- niet altijd een geestelijk mens te zijn. Dat zijn alleen de wedergeboren mensen. Misschien kunnen we nu de rijkdom van onze tafeltekst beter gaan verstaan: Het is door Jezus Christus dat wij wedergeboren worden. Hierbij kunnen we denken aan twee teksten uit de eerste brief van Petrus:

*Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, … (1 Petrus 1:3)

*….als wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God. (1 Petrus 1:23)

De 1e tekst vertelt ons dat het beleven van een levende hoop een kenmerk van de wedergeboorte is. En die hoop ontstaat dus omdat Jezus ons de weg heeft geopend, door de wedergeboorte, om van Godswege deel te krijgen aan allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten.

De 2e tekst leert ons dat de wedergeboorte, het geestelijk leven, gestalte krijgt door gehoorzaamheid aan het levende en blijvende woord van God.

De gehoorzaamheid is geen deugd van ons zelf! Het is een ‘zegen’, een ‘wijding’ aan het nieuwe leven, dat verwant is aan God en dienst kan doen als Zijn instrument voor de wereld om ons heen. De tafeltekst is dus een uitroep tot God voor we gaan eten:

Heer, hier ben ik, om als Uw instrument in deze wereld te staan!

 

 

Bijbeltekst week 2019 – 34

Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des HEREN.     

Jesaja 55:8

Omdat de tafeltekst voor de komende week met het woordje ‘want’ begint, moeten we, om de betekenis goed te verstaan, wel even terug gaan naar de vorige tekst: Jesaja 55:7  De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de HERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen – en tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.

In deze tekst wordt gesproken over een ‘goddeloze’ en over een ‘ongerechtige man’. De taal van de profeet Jesaja is vaak heel dichterlijk. We moeten hierbij niet denken aan twee verschillende soorten van mensen. Bij ‘goddeloze’ gaat het niet direct over mensen die zonder God leven – in het Hebreeuwse woord ‘goddeloos’ is het woord ‘God’ helemaal niet terug te vinden -, maar gewoon over ons mensen, die boosaardig zijn, schuldig staan (tegenover God en mens), en het woord ‘ongerechtige’ wijst op mensen die een heilloze weg gaan, een onvruchtbaar leven lijden.

Jesaja doelt hier op alle mensen, die God niet kennen in hun levenswandel. Hij raadt ze aan om er mee te stoppen die eigen gekozen wegen te gaan en vooral te stoppen met ‘eigen gedachten’. Het is mooi om even aandacht te besteden aan het Hebreeuwse woord voor ‘gedachten’: naast de goede vertaling van ‘gedachten’ is het ook te vertalen met ‘plannen, bedenksels, uitvindingen’.

Maar hoe kom je daar toch allemaal van af?!

Jesaja vertelt ons dat dit heel eenvoudig is: hij bekere zich tot de HERE. Het woord ‘bekeren’ betekent: omkeren, terugkeren of terugkomen. Hoe we het ook vertalen het betekent heel duidelijk: rechtsomkeert! Dus: ‘geheel anders’ . . . .terugkeren naar God, die op ons wacht. Pas dàn zullen we ervaren hoe Hij Zich over ons ‘ontfermt’.

‘Ontfermen’ betekent naast ‘ontfermen’ vooral ook ‘van harte liefhebben’.

De centrale boodschap van Jesaja in deze twee verzen is dat we ons moeten bekeren, teruggaan naar God, wat alleen mogelijk is, niet door veel te bidden en Bijbel te lezen, maar door ons niet meer te laten leiden door al onze eigen slimme plannen en gedachtenwerelden, maar te luisteren naar Zijn Stem. Bidden en Bijbellezen kan hierbij een geweldige sprong in de goede richting zijn…

Want, en nu komen we bij onze tafeltekst aan: mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen. Bij echte bekering is het dus onmogelijk om nog iets van onze eigen plannen en denkwerelden mee te nemen: Lukas 5:28  En hij liet alles achter, stond op en volgde Hem. Hierbij komen mij ook de woorden van Paulus in gedachte: Efeze 4:20  Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. En: Romeinen 12:2  En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene.

De tafeltekst voor de komende week leert ons te beseffen dat, in het loslaten van heel onze ‘eigen gedachtenwerelden’ en ophouden om nog zelf onze wegen te bepalen, doordat we geboeid raken door de openbaring van Jezus Christus in ons leven, we zullen gaan ervaren dat dán struikelen niet meer erg is: want Hij vergeeft (dan) veelvuldig. 

Bijbeltekst week 2019 – 33

Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. 

Johannes 6:27

Onze tafeltekst begint met iets wat we vooral niet moeten doen: werken om spijs, die vergaat. Het werkwoord ‘werken’ kunnen we ook vertalen met: tot stand brengen, bezig zijn met. Het woord ‘spijs’ heeft, naast de algemene betekenis van ’dat wat gegeten wordt’, in de christelijke literatuur vaak de betekenis in geestelijke zin van: voedsel, dat de ziel verfrist, voedt en onderhoudt.  Jezus waarschuwt ons er voor dat er ziele-voedsel is, dat ‘vergaat’. De betekenis van dit werkwoord verwijst niet zo zeer naar de ‘vergankelijkheid’, de tijd-gebondenheid, maar heeft veel meer een actieve betekenis van: vernietigend, geheel uit de weg ruimend, verwoestend.

De Heer waarschuwt ons dat er dus in de religieuze sfeer voedsel wordt aangeboden, dat het zielenleven kan verwoesten. Daar mogen we ons dus niet mee bezighouden, niet aan meewerken! Maar hoe weten we welke spijs, welk godsdienstig aanbod, hiermee bedoeld wordt?

Jezus heeft gezegd: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. (Johannes 6:35)  Als we deze woorden voor ogen hebben, dan verstaan we dat alles wat ons niet dichter bij Jezus brengt en alles wat ons vertrouwen in Hem niet versterkt ons zielenleven vernietigt. Waar zijn we, dag in dag uit, uur na uur, in Gods Naam mee bezig?

Jezus waarschuwt ons om te stoppen met dit zinloos bezig zijn, met dit onvruchtbaar bestaan. Hij roept ons op om voortdurend bezig te zijn met het tot stand brengen, met het voortbrengen van ‘spijs die de ziel verfrist en onderhoudt’, want dan werken we, zijn we bezig met een ‘spijs’, die eeuwig blijft. D.w.z. een ‘spijs’ die niet verdwijnt, maar altijd blijft bestaan: tot in het ‘eeuwige leven’. Dat is een actief en krachtig leven, altijd ‘fris en sprankelend’, dat geen begin kent en geen eind. Wie dit gaat verstaan wordt voor altijd bevrijd van dat zgn. hemelse beeld: schone witte jurken, altijd schone nagels en geen eelt op de vingers ondanks dat eeuwig spelen op gouden harpen . . .  Echt leven is ‘krachtig’; niet in de wereldse zin van spierkracht, maar ‘bruisend’ en ‘betrokken’.

Jezus zegt heel duidelijk dat dit ‘leven’ niet pas komt na de dood, maar er nu al mag zijn, en even krachtig zal blijven tot in de eeuwigheid. Het werkwoord ‘geven’ staat in de tafeltekst in de ‘aantonende wijs’; een werkwoordsvorm die een handeling aangeeft, die werkelijk plaatsvindt. Hier dus: de Zoon des Mensen geeft deze spijs, dit voedsel voor onze ziel, voor nu en tot in het leven hierna.

Achter deze rijke belofte staat: want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. God heeft Jezus van Nazareth aangewezen als de beloofde Messias, door de tekenen en wonderen die Hij destijds heeft verricht. Maar ook in onze tijd drukt God Zijn zegel op Hem. Hij wijst Jezus aan als Degene die de ware ‘spijs’ aan ons geeft: Hij is met ons, tot aan de voleinding der wereld. Dit beleven we, waar wij Zijn nabijheid ervaren, in moeite, pijn, maar ook in blijdschap en verwondering.

Wat een zegen, dat Hij ons een Gemeente geeft, waar we telkens opnieuw de vervulling van deze, broodnodige, belofte mogen ervaren!

Bijbeltekst week 2019 – 32

En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken

Hebreeën 10:24

Deze week worden we door onze tafeltekst opgeroepen om: op elkander acht te geven. Dat kan je op velerlei wijzen doen. Vaak wordt dat helemaal verkeerd gedaan. Want wat letten we maar al te graag op wat er ontbreekt of verkeerd is in de ander. Jezus zei hier over: Hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter, die in uw oog is, wegdoen, terwijl gij de balk, die in uw eigen oog is, niet ziet? Huichelaar, doe eerst de balk weg uit uw oog en dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter in het oog van uw broeder weg te doen (Lukas 6:42).  Deze manier van acht geven op elkaar is dus een eigenschap van huichelaars… en dat willen we toch echt niet zijn!?

Nee, dit ‘op elkander acht geven’ heeft niets te maken met dit schijnheilige gepeuter aan de ander. Het heeft te maken met de ‘volle aandacht schenken’ aan de ander, niet om te zien wat er mogelijkerwijze ontbreekt, maar om ervoor zorg te dragen dat in de ander iets moois gaat ontstaan: liefde en goede werken.

Het woord ‘liefde’ heeft niets te maken met de betekenis die het in de gangbare taal heeft. Daar wordt van liefde gesproken als het gaat om het geboeid zijn in de andere sekse. Deze liefde, ‘eros’,  zelfs in de mooiste zin van het woord, komt in de Bijbel niet voor! Want het woord ‘eros’ betekent: verlangen, begeerte. Als er in de Bijbel gesproken wordt over liefde, dan is het altijd over de liefde die vrij is van de hebzucht, van de begeerte. Het woord ‘liefde’ dat in onze tekst gebruikt wordt, heeft te maken met: broederlijke liefde, genegenheid, het goedgezind zijn, welwillendheid.

De tekst van deze week roept ons op om ons zodanig te wijden aan elkaar, dat daardoor deze ‘broederliefde, de genegenheid en welwillendheid’ het juist gaat winnen van de hebberigheid. De hartstocht is een vuur, dat ontbrandt als gevolg van de fantasiewereld waarin we vluchten als we ons ongelukkig voelen. En natuurlijk wordt in de Bijbel niet gesproken over dit verterend vuur wat alles in brand zet wat maar branden kan…

De tafeltekst spreekt van een heel ander ‘aanvuren’. Dit aanvuren heeft de betekenis van aansporen, bemoedigen, richten op. De gezindheid waarmee we ‘acht slaan’ op de ander is dus niet aandacht-trekkerig, maar: richtend op het doel, het doel wat God met het leven van de ander heeft. En dat maakt dat het wegvluchten in hebberige fantasieën weggespoeld wordt door de liefde van God, die je niet uitkleedt, maar juist bekleedt met waardigheid en geluk! De aandacht die God wil dat we aan elkaar schenken, beknelt niet, maar vuurt aan om je te wijden aan de broederliefde; aan echte betrokkenheid en het ‘goedgezind zijn naar de ander toe’, waardoor we ruimte schenken aan elkaar om tot die volle ontplooiing te komen. Pas dan wordt de weg voor ons, door elkaar, geopend om tot datgene te komen wat de Bijbel weergeeft in het begrip: goede werken. Dit begrip komt 14 keer voor in het Nieuwe Testament. Er wordt nooit omschreven wat het inhoudt. Maar als we het zouden willen omschrijven, dan zouden we zeggen dat alle goede werken heel eenvoudig zijn samen te vatten in: alles wat je doet om de ander tot volle ontplooiing te brengen.

Dan ontstaat er weer een heel mooie vertaling van onze tafeltekst, die we hier dan ook graag neerschrijven: Laten we zo aandacht aan elkaar besteden, dat we elkaar aansporen om onbaatzuchtig lief te hebben en elkaar de ruimte te bieden om elkaar op te bouwen, geschikt te maken, voor het Koninkrijk van God.

Bijbeltekst week 2019 – 31

Ik heb de stangen van uw juk verbroken en u rechtop doen gaan

Leviticus 26:13

De tafeltekst voor deze week is het tweede gedeelte van een vers. Daarom eerst maar even aandacht voor de hele tekst: Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte heb geleid, opdat gij hun niet meer tot slaven zoudt zijn; Ik heb de stangen van uw juk verbroken en u rechtop doen gaan. De persoon die tot ons spreekt is dus: de HERE, uw God. De naam HERE is de Naam van God waarmee Hij zich aan Israël bekend heeft gemaakt ten tijde dat Hij hen uit Egypte, uit het slavenhuis, verloste.

De apostel Paulus zegt: (Galaten 5:1) Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen. Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament bewerkt de ontmoeting met de levende Here, dat we verlost worden van een slavenjuk. Wat is dat slavenjuk dan?

Het is het leven onder het juk van de wereldgeesten: (Galaten 4:3) Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten. Deze wereldgeesten binden ons aan, wat de Bijbel noemt, het tijdgebonden leven. De wereldgeesten gaan uit van de vorst der duisternis, waarvan Petrus zegt: (1 Petrus.5:8) Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.

Hoe meer we door God met Zijn levenslicht omstraald worden (Job 33:30), hoe meer we ontdekken dat we gewend waren aan dit door de duivel verslonden worden. Het is een zuigende kracht naar alles wat de wereldmachten ons aanbieden. Als we ons maar even laten meezuigen in die richting, verzwakt het verlangen naar God en naar het leven dat Hij biedt. Het mag een wonder heten als we dan toch nog het roepen van God mogen verstaan en ons omkeren, ons bekeren tot Hem die ons roept…

God heeft ons, midden in deze wereld, de Gemeente van Christus gegeven. De Gemeente van Christus is en wordt door Hemzelf gebouwd. Overal waar vol ontzag wordt gezegd: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”, daar bouwt Jezus, onze opgestane Heer, Zijn Gemeente: (Mattheus 16:18) En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra (op dit getuigenis) zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. 

De Gemeente van Christus bouwt geen kathedralen; het is meestal een eenvoudige huisgemeente: (Romeinen 16:5) Groet insgelijks de gemeente bij hen aan huis. Daar worden mensen niet gebonden aan een bepaalde leer of dogmatiek, maar aan Hemzelf, die beloofd heeft: (Mattheus 28:20) En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. En: (Handelingen 18:10) want Ik ben met u en niemand zal het op u toeleggen om u kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad.

Het is onze levende Here die ons bevrijdt van ieder slavenjuk, en ons stelt in de vrijheid waarvan ook Paulus spreekt! (Galaten. 5:1)

En dan komen we nu bij de tafeltekst van de komende week: Ik heb de stangen van uw juk verbroken en u rechtop doen gaan.

Als we Gods liefde in ons leven toelaten, dan kan Satan, de grote tegenstander, niet meer brullen als een leeuw, ons niet meer beangstigen, maar dan voelen we ons veilig en geborgen in Hem. Dan tilt Hij ons op uit ons slavenbestaan: het leven volgens regels en voorschriften van mensen (Kolossenzen 2:22), en dan doet Hij ons rechtop gaan. Dit werkwoord ‘gaan’ omschrijft zoiets als: wandelen, maar nog meer dan dat: meegaan, volgen, verder gaan; Zijn toekomst tegemoet…

Bijbeltekst week 2019 – 30

Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.

Hebreeën 10:39

De tafeltekst voor deze week begint met een reactie op de voorgaande tekst, waar staat: en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen.

Wat wordt bedoeld met een ‘rechtvaardige’? We zouden dit woord ook kunnen vertalen met: iemand wiens wijze van denken, voelen en doen geheel in overeenstemming is met de wil van God; iemand zonder zijwegen. Zulke mensen leven uit geloof. Dat betekent, dat zij in alles op God vertrouwen. Dat zijn mensen die, wakker, telkens weer, in iedere nieuwe situatie, deze keuze maken, deze beslissing nemen. Daarin kun je dus ‘nalatig worden’. Dat betekent heel eenvoudig: uit vrees aarzelen te bekennen dat je gelooft, dat je in alles op God vertrouwt.

Dit is een gruwel voor God; dan heeft God geen ‘welbehagen’ in zo’n persoon . . ., dan kan God hem, wegens zijn onbetrouwbaarheid, niet ‘gunstig gezind zijn’. De schrijver van de Hebreeënbrief reageert heel fel op deze gedachte met de woorden van onze nieuwe tafeltekst: Doch wij hebben niets van doen met deze misselijke instelling. We zouden dit ’nalatig zijn’ ook kunnen vertalen met: zich vreesachtig, stilletjes, terugtrekken van een stuk verantwoording …

Als we de komende week deze tekst aan tafel opzeggen, dan beseffen we dat we radicaal gebroken hebben met deze vreesachtigheid, dit ontlopen van de verantwoording om in alles Zijn getuigen te zijn! Want we weten dat dit volkomen ‘ten verderve leidt’! Anders vertaald: volslagen tot ondergang brengt. Deze ‘nalatigheid’ heeft, door de eeuwen heen, het geloofsgetuigenis van de gelovigen volkomen teniet gedaan. Door de eeuwen heen zijn de woorden van onze tafeltekst onomwonden gebleken waar te zijn! De kerk der eeuwen is zijn daadkracht kwijt en als wij niet oppassen, gebeurt hetzelfde met ons: Gods goedgunstigheid ebt weg uit de praktijk van ons dagelijks leven!

Als wij de tafeltekst opzeggen, dan hebben we dus een besluit genomen om te breken met dat ons vreesachtig terugtrekken. Nee! We zullen gaan staan in het geloof, in het vertrouwen, dat Gods openbaring in ons leven heeft gewekt: Hij zal Zijn plannen volvoeren! Daar willen we bij betrokken zijn. Zijn Woord zal ons leven bepalen en niet ons lafhartig eigen denken!

We zouden onze tafeltekst weer even heel anders kunnen vertalen, in de hoop dat het een verfrissende, wakker schuddende uitwerking heeft op ons leven van iedere dag van deze week en op de rest van ons leven dat nog voor ons ligt: Doch wij hebben niets te maken met een zich vreesachtig, stilletjes terugtrekken, wat tot een volslagen ondergang leidt, maar met een vast vertrouwen in God, die Heer is over alles, zodat het echte leven steeds meer gestalte krijgt.

Bijbeltekst week 2019 – 29

Niemand zoeke het zijne, maar wat des anderen is.   

1 Korintiërs 10:24

De tafeltekst voor deze week lijkt heel eenvoudig, maar dat is niet het geval. Natuurlijk staat deze tekst weer in een bepaald verband. Daar gaan we dus even naar kijken. Onze tekst staat achter een, voor velen vaak, schokkend woord van Paulus: Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op. (1 Korintiërs 10:23) Dit is een woord dat heen wijst naar een onbeperkte vrijheid: Alles is geoorloofd, maar gelukkig met daarop volgend een beperking: maar niet alles is nuttig, maar niet alles bouwt op.

De beperking van deze onbeschrijfelijke vrijheid van de gelovige is: de zorgvuldigheid naar de ander. Dit laatste blijkt weer uit wat volgt op onze tafeltekst: vers 29-33 Want waartoe zou mijn vrijheid beoordeeld worden door eens anders geweten? Indien ik onder dankzegging van iets gebruik maak, hoe kan men kwaad van mij spreken over iets, waarvoor ik dankzeg? Of gij dus eet of drinkt, of wat ook doet, doet het alles ter ere Gods. Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot; zoals ook ik allen in alles ter wille ben, niet om mijn eigen belang te zoeken, maar dat van zeer velen, opdat zij behouden worden.

Uit alles wat de apostel Paulus vertelt in dit gedeelte blijkt overduidelijk, dat de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt, alleen maar te beleven is als we leven in de gezindheid die Christus ons schenkt: Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn; (gebruikt) echter die vrijheid niet als een aanleiding voor het vlees, maar dient elkander door de liefde. (Galaten 5:13)

Wonderlijk dat het hele verhaal van Paulus over het ‘vleeshuis’ dus eigenlijk alleen gaat om duidelijk te maken wat in onze tafeltekst staat! Alleen zó kunnen we de inhoud van deze tekst pas echt goed begrijpen. Want het werkwoord ‘zoeken’ in onze tafeltekst betekent vooral: door beredeneren en onderzoeken naar iets streven, maar ook: eisen van een ander. Niemand zoeke het zijne, zouden we daarom ook kunnen vertalen met: niemand eise van de ander te zijn als jij . . . En om de hele tekst in deze stijl af te maken wordt het dan: Eis niet van de ander te zijn als jij, maar heb belangstelling, onderzoek wat goed is voor de ander.

Laat deze ‘vertaling’ nu eens rustig tot je doordringen, dan ga je pas goed begrijpen wat Paulus met alles wat hij over het ‘vleeshuis’ vertelt, bedoelt. Maar dan begrijp je ook dat hij dat hele verhaal alleen maar als voorbeeld heeft verteld om de kostbare inhoud van onze tafeltekst aan de lezers van zijn brief duidelijk te maken. Wat zou ons leven – en daardoor het leven van de ander – er anders uitzien, als deze gezindheid ons meer bezielde! Dan zouden wíj meer van onze vrijheid genieten en zou onze vrijheid de ander nooit beknellen, maar verlangend maken om, net als wij …, door Christus waarlijk vrijgemaakt te worden van elk moralistisch denken over onszelf en over anderen.

Laten we bidden dat we gedurende deze week, door het opzeggen van onze tafeltekst, gaan verlangen om meer uit deze vrijheid te leven ten dienste van de ander!

Abonneer je op de weektekst

Voer je e-mailadres in om wekelijks de bijbeltekst te ontvangen.

Voeg je bij 101 andere abonnees

Archief