Wekelijkse bijbeltekst

Bijbeltekst week 2020 – 43

Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt. 

Hebreeën 12:3

Het woordje ‘dan’ in onze tafeltekst, wat we ook kunnen vertalen met ‘daarom’,  legt het verband met wat er voor staat. Dit is heel belangrijk! Want de voorgaande teksten geven een prachtige schildering van Jezus. Daarom schrijven we deze teksten maar even op: Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. Laat ons oog daarbij [alleen] gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods (Hebreeën 12:1,2).

Wat is het belangrijk dat de vreugde in de Here ons leven bepaalt en niet de schande, niet het lijden dat ons wordt aangedaan: Nehemia 8:11b weest dus niet verdrietig, want de vreugde in de HERE, die is uw toevlucht. Want alles wat ons, in de dienst aan Hem, overkomt, is te doorstaan, als we onze aandacht vestigen op Hem. De onderstreepte woorden zijn met elkaar een werkwoord dat de betekenis heeft van: overdenken, overwegen. De oproep aan ons is dus om, onder alle omstandigheden, te overwegen, te denken aan Jezus, die zo ontzettend veel ‘tegenspraak’ heeft ondergaan.

‘Tegenspraak’ kan een woordentwist zijn, maar veel verdrietiger is het als je merkt dat je niet serieus wordt genomen in je verlangen om de ander mee te nemen in dat wat je zeker weet Gods bedoeling te zijn. Jezus heeft het in Zijn lijden uitgeroepen: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn en u verdragen? (Lukas 9:41) Het woord ‘tegenspraak’ is ook te vertalen met: zich tegen iemand verzetten, weigeren iemand te gehoorzamen, protesteren, weigeren om iets met iemand te maken te hebben.

In Zijn grote liefde voor zondaren heeft Jezus dit alles ‘verdragen’, dat wil zeggen: Hij is voortdurend aanwezig gebleven, zonder door de tegenstanders bepaald te worden. ‘Verdragen’ betekent dan ook: volharden. En dit wordt in de Bijbel meestal vertaald met: onder tegenslag en beproeving vasthouden aan het geloof.

Bij ‘zondaren’ moeten we niet in de eerste plaats denken aan wat wij ‘slechte mensen’ vinden, maar aan mensen die: het doel missen, die niet bewust deel hebben aan het plan van God met deze wereld. Dat zijn dus alle mensen, die zich niet laten leiden door de Heilige Geest in al hun denken en handelen… Als je leven niet door onze Heer bepaald wordt, maar door de mensen die ons omringen, dan komt er ongemerkt een ‘matheid’ over je. In de tekst staat hiervoor een werkwoord dat betekent: 1) moe worden 2) ziek zijn.

Voor je het weet word je dan ‘zielig’. Dat betekent eigenlijk ongeveer: ontzield. Want de betekenis van het woord ziel is: de ziel als de zetel van de gevoelens, verlangens. Maar heel duidelijk wordt het als we het vertalen met een andere omschrijving: de levenskracht die het lichaam bezielt. Dan blijft er geen energie meer over; niet voor het komende Koninkrijk, maar het gaat nog verder: … eigenlijk voor niets.

De tekst voor de komende week beschrijft dit met het woordje ‘verslappen’ en dat betekent ook: moedeloos worden, wanhopen. De schrijver van de brief aan de Hebreeën geeft ons deze week dus een heel goede raad, voor de rest van ons leven: laat de vreugde die voor ons ligt – de komst van Zijn Rijk – ons denken en handelen bepalen om daarin de kracht te ontvangen om de goede strijd te blijven strijden, zonder te verslappen!

Bijbeltekst week 2020 – 42

Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden.

 Johannes 15:7

In het eerste gedeelte van de tafeltekst wordt gesproken over ‘blijven’. Het is goed om aan de diepe betekenis van dit woord te denken: niet iets anders worden. Het gaat er dus niet alleen om, om dicht bij Jezus te blijven. Maar het is belangrijk om in het schuilen bij Hem betrouwbaar te blijken, stand te houden, te weten waar je voor leeft, in elk detail van het leven. En dat kan alleen als Zijn woorden in ons blijven.

Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt voor ‘woord’ betekent vooral: dat wat wordt geuit door een levende stem. In het blijven in Hem, verkeren met Hem, spreekt Hij tot ons over de volle Waarheid en over de toekomst:…; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen (Johannes 16:13).

Pas vanuit deze innige relatie met Hem kan het tweede gedeelte van onze tafeltekst in vervulling gaan: vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden. Ja, want dan pas zijn we betrouwbaar en vragen we in alles naar Zijn komende Rijk en naar Zijn wil voor ons persoonlijke leven. Dan beaamt onze wil de Zijne . . . en kunnen we ook pas echt bidden in Zijn Naam. Dan gaat in vervulling wat Jezus gezegd heeft: want God uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt (Mattheus 6:8).

Wat is het nu goed om het woord ‘geworden’ te vertalen zoals het ook eigenlijk hoort: worden, tot ontstaan komen, tot stand gebracht worden, leven ontvangen. Want als wij, door een echte wandel met Hem, eenswillend met Jezus zijn geworden, zal ons leven in elk detail tot leven komen, getuigenis afleggen van Zijn leven.

Bijbeltekst week 2020 – 41

Roep Mij aan ten dage der benauwdheid, Ik zal u redden en gij zult Mij eren.

Psalm 50:15

God nodigt ons uit om, als we het moeilijk hebben, Hem aan te roepen. Dat betekent dat wij Hem dan om hulp mogen vragen, beter nog: Hem zelf te hulp vragen, Zijn bijstand vragen. Het gaat er dus in de eerste plaats niet om, dat we uit de problemen komen, maar dat we de uitkomst van Hem willen verwachten.

In het werkwoord ‘redden’ komt uit hoe Hij voor de uitkomst zal zorgen. Want dit werkwoord betekent niet alleen ‘redden’, maar ook toerusten, wapenen, krachtig maken. De uitredding is dus vooral een mentale zaak, een geestelijke toerusting, waardoor we sterk komen te staan tegenover de vijand. Paulus zegt: Efeziërs 6:12  want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.

Het woord benauwdheid in onze tafeltekst betekent ook niet alleen ‘benauwdheid’, maar vooral ook: tegenstander, vijand of verdrukker, iemand die benauwt, angstig maakt. Als we de tekst lezen, moeten we daarom er vooral aan denken, dat we, als we ons door de tegenstander verdrukt, aangevallen voelen, niet een vuist maken, ons zelf sterk maken, maar een toerusting van God verwachten.

Pas als we in deze gezindheid ons opstellen tegen alle duisternis die we meer en meer gaan zien, als we echt onze toevlucht tot Jezus hebben genomen, dan komt er die diepe verwondering om wat God in ons leven doet: Hij geeft ons de toerusting om waardig in deze wereld te wandelen naar de roeping waarmee Hij ons geroepen heeft.

Als we ons zo door Hem laten toerusten met de wapenen des lichts (Ef. 6:13-17), dan verdwijnt de angst, de nood, die de tegenstander bij ons oproept. (De onderstreepte woorden zijn vertalingen van het woord ‘benauwdheid’). Dan zullen de overheden en machten, waarvan Paulus spreekt in de hierboven aangehaalde tekst, zien hoe wij, schuilend onder Zijn vleugels, deze geweldige toerusting ontvangen van Hem, Die wij aanroepen.

Dit is de mooiste manier om Hem te ‘eren’. Ja, want het woord ‘eren’ mogen we zeker ook vertalen met: Zijn heerlijkheid tonen, aan de mensen om ons heen, maar zeker ook aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten.

De tafeltekst voor de komende week roept ons dus op om zó eenvoudig alles van Hem te verwachten, dat Hij ons de toerusting kan geven om stand te houden tegen de vijand. Dan heeft satan niets aan ons en moet, als wij roemen in Gods heerlijkheid én roemen in onze zwakheid, verslagen afdruipen.

Bijbeltekst week 2020 – 40

Ik zelf zal vóór u uitgaan en de oneffenheden effenen; koperen deuren zal Ik verbreken en ijzeren grendels verbrijzelen.

Jesaja 45:2

We leven in een tijd waarin de vijandschap: in onze tafeltekst weergegeven door ‘koperen deuren’ en ‘ijzeren grendels’, nog niet verbroken is. Integendeel! En het zal blijken hoe hard de vijandschap zich zal manifesteren, vooral als het eerste gedeelte van onze tafeltekst in vervulling zal gaan. Daarom willen we vooral aan het eerste gedeelte van deze tekst aandacht schenken: Ik zelf zal vóór u uitgaan. Wat staan hier prachtige dingen in vermeld, waar je zo maar overheen kunt lezen!

Het woord zelf staat helemaal niet in de grondtekst, maar geeft uitdrukking aan het heel persoonlijke dat wordt weergegeven in het woordje vóór. Dit woord ‘voor’ betekent eigenlijk: aangezicht. God belooft dus dat Hij van aangezicht tot aangezicht, heel persoonlijk betrokken dus, vóór ons zal ‘uitgaan’. Dit werkwoord: ‘uitgaan’ betekent gewoon ‘gaan’, maar ook ‘meegaan’, ‘wandelen’ en wordt zelfs nog vertaald met ‘leven’. Wat een rijke belofte voor ons, dat God heel persoonlijk met ons wandelen wil, met ons leven wil, bij ons betrokken wil zijn …

En nu het tweede gedeelte: en de oneffenheden effenen; ‘oneffenheden’ komt van een woord wat de betekenis heeft van: pralen, eren, eer bewijzen. Alleen hier in Jesaja 45 wordt het vertaald met ‘oneffenheden’. De bedoeling van onze tekst wordt duidelijker als we aandacht besteden aan de betekenis: pralen, eren. Maar dan vooral in de zin van: zichzelf eren, eer opeisen. Als we dan verder ook nog het werkwoord ‘effenen’ bekijken, dat veel meer de betekenis heeft van: oprecht zijn, rechtvaardig zijn, zacht zijn, dan kunnen we dit gedeelte eigenlijk beter vertalen met: Al het zoeken van eigen eer zal Ik doen verdwijnen doordat Ik – in een persoonlijke wandel met jullie – je zacht zal maken, je oprecht en rechtvaardig zal doen zijn.

Ja, dan wordt het duidelijk, hoe al de vijandschap van de wereld tegen God op de vlucht zal gaan als wij, in die heel persoonlijke wandel met onze Heer, al onze eigen eer en trots leren afleggen. Want daar is satan niet tegen opgewassen.

Als we deze komende week onze tafeltekst opzeggen moeten we telkens maar even aan deze vrije vertaling denken: Ik zal heel persoonlijk met jullie gaan leven, van aangezicht tot aangezicht, zodat je geen behoefte meer hebt om nog eigen eer te zoeken. Dan zal de wereld om je heen geen raad weten met de zachtheid, waarmee we de ander tegemoet treden en daarom op de vlucht slaan of, met ons, zich buigen voor Hem.

Bijbeltekst week 2020 – 39

Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan. 

1 Samuël 16:7

De tafeltekst voor deze week staat in het Bijbelboek Samuël. Hierin wordt verteld over de profeet Samuël; hij was een volkomen toegewijd dienstknecht aan God. Uit deze geschiedenis blijkt, dat, ook al zijn we nog zo volkomen toegewijd aan God, we nooit bruikbaar zullen zijn als we niet onze dienst in diepe afhankelijkheid van Hem verrichten. Toen Samuël de eerste zoon van Isaï zag binnenkomen, dacht hij: ”Zeker staat hier voor de HERE zijn gezalfde”(:6). Als íemand een zuiver oordeel kon hebben, dan was het toch vast en zeker Samuël, de dienstknecht des HEREN. Maar wat is een dienstknecht van God zonder de voortdurende wandel met God? Dat blijkt wel heel duidelijk uit deze geschiedenis. Stel je voor dat Samuël uitgegaan was van de gedachte, dat zijn eigen inzicht wel betrouwbaar genoeg was, gezien zijn ‘ervaring’ in de dienst van God. Dan had hij vanuit deze gezindheid immers nooit de stem van zijn Heer gehoord?

Wat missen wij toch, juist in de dienst van God vaak – en misschien wel voortdurend – de gezindheid van afhankelijk luisteren… Al hebben we net zoveel ervaring als Samuël, de dienaar van God en al hebben we nog zo veel kennis verworven over het wezen van God … we zullen rampen veroorzaken, als we niet diezelfde afhankelijkheid van God beleven, als Samuël, als alle dienstknechten, die in de Bijbel vermeld worden.

Wat onderscheidt een dienstknecht van God van de andere mensen? Daar is natuurlijk veel over te zeggen en over na te denken. Maar één ding staat vast, dat we alleen bruikbaar voor Gods Koninkrijk zullen zijn, als we ons hebben laten verlossen van alles wat ons belet om ons daadwerkelijk door God te laten leiden, in alles wat wij voor Hem mogen doen. Bij het lezen van dit Bijbelse verhaal wordt het ons wel duidelijk dat, als we in dienst van God staan, we heus nog wel ‘eigen gedachten’ kunnen hebben (:6). Maar al ons ‘eigen’ denken moet onderworpen zijn aan het spreken van God.

Dit te weten is niet genoeg: het moet onze levensinstelling worden, om in afhankelijkheid van God en in een bereidheid om in alles door God gecorrigeerd te worden, te leven. Zonder een innige wandel met de HERE, worden onze gedachten en wandel volkomen bepaald door wat onze ogen en andere zintuigen waarnemen. Onze mogelijkheden, in onszelf, schieten te kort om dieper door te dringen in de werkelijkheid van het leven van onze naasten. Onze zintuigen, onze ervaringen en onze verworven wijsheden kunnen ons dat niet duidelijk maken. Dit alles wordt samengevat in de woorden, die God tot Samuël sprak: “de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan.”

Koning Salomo vroeg van God wijsheid en kennis, om zijn volk werkelijk te kunnen dienen: “Geef mij thans wijsheid en kennis, dat ik voor dit volk kan uitgaan en ingaan, want wie zal dit grote volk van U kunnen richten?” (2 Kron.1:10). En het was door ‘deze van God ontvangen wijsheid’ dat Salomo begreep, dat God alleen het hart van alle mensenkinderen kent. …, daar Gij zijn hart kent – want Gij alleen kent het hart van alle mensenkinderen – (1 Kon.8:39).

Wat zal er toch veel meer liefde, betrokkenheid en wederzijds respect zijn bij alle mensen, die Hem toebehoren, als wij ons niet meer door zoveel ‘eigenwijsheid’, maar door een door God geschonken wijsheid laten leiden in elke ontmoeting en in het luisteren naar elkaar. Dan laten we ons niet meer bepalen door wat wij van elkaar vinden. Maar laten we ons bepalen door wat we, luisterend naar elkaar, mogen gaan verstaan wat God van de ander zegt, die evenals wij, door Gods genade, in Jezus Christus, Zijn kinderen mogen zijn. Dan zal er heel wat minder nodeloos geleden worden. Want dan leren we om elkaar waardig en mooi te maken voor God; in ons huwelijk, in ons gezinsleven, in het leven met onze naasten, in de Gemeente en in deze woelige wereld om ons heen! Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods! (Rom. 8:19).                              

Bijbeltekst week 2020 – 38

Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven.

Johannes 10:27,28

Het woord ‘schaap’, als dat niet letterlijk voor een stuk kleinvee gebruikt wordt, heeft vaak niet zo’n gelukkige betekenis. ‘Arm schaap’, schaapachtig, enz. … Als in het Nieuwe Testament gesproken wordt over een ‘schaap’ dan wordt daarmee bedoeld: de altijd maar voortgaande – grazende – mens, die er in z’n eentje niet komen kan. Dat beeld wordt doorbroken door wat er op volgt: zij ‘horen naar Mijn stem’. Dat woord ‘horen’ betekent hier niet: waarnemen, al zou dat al iets heel geweldigs zijn! Stel je toch voor dat we Zijn stem zouden ‘horen’! Nee, het werkwoord ‘horen’ betekent hier meer dan alleen maar ‘opmerken’, het betekent: leren gehoor geven aan onderwijzing of aan een leraar. Daardoor komt er een eind aan het monotone voortjagen in de vanzelfsprekende sleur van iedere dag. De maar voortjakkerende mens wordt, door het gehoor geven aan de Stem van de Herder, tot een wakker en leergierig mensenkind.

Het woord ‘stem’ moeten we ook goed begrijpen. Eigenlijk is het niet meer dan de klank, de toon, het geluid van gesproken woorden. Wat heeft God al niet vaak tot ons gesproken, door de tijden heen. Ach, je weet wat er gezegd wordt, bij het bijbel lezen, in samenkomsten, in toerustingsavonden … en je graast maar door, als mensen waarvan de Bijbel zegt: die zich te allen tijde laten leren, zonder ooit tot erkentenis der waarheid te kunnen komen (2 Tim.3:7). Ja, dan ‘graas’ je maar door, totdat … je gehoor geeft aan de woorden die al zo vaak geklonken hebben. Dat is het wonder van de werking van de Heilige Geest in ons leven.

Wat zou het rijk zijn als we nu toch werkelijk stoppen met het verburgerlijkte voortjakkerende, grazende christelijke leven en Zijn Woord gaan verstaan! Want dan gaan we Jezus ‘volgen’. Dit betekent: ons als leerling bij Jezus voegen, ons bij Hem aansluiten om achter Hem aan te gaan, waarheen Hij ons ook voeren zal. Pas in dat werkelijk als leerling Hem volgen, zullen we niet verhongeren, geestelijk armoe lijden, maar echt ‘leven’: verkeren in de toestand van iemand die levenskracht heeft of bezield is.

En dat niet maar zo af en toe, maar eeuwig: zonder begin en einde, dat wat altijd geweest is en altijd zal zijn. Dan verzadigen we ons altijd, eeuwig, bij de Bron, die Hij is. Dit maakt dat we niet verloren gaan: vernietigd worden, geheel uit de weg geruimd worden, ten onder gaan, omkomen. Dan blijft er niets van het ‘schaapachtige’ over, nee, dan maakt Hij ons tot een koperen onneembare muur, zoals Jeremia het van God moet zeggen: Dan zal Ik u voor dit volk maken tot een koperen, onneembare muur, en zij zullen tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u om u te helpen en te bevrijden, luidt het woord des HEREN (Jeremia 15:20).

Wat een machtig woord van troost en bemoediging voor iedereen die zo’n woord van God meekrijgt, ook voor deze tijd, en het verdere leven in… Jezus besluit Zijn woorden met: … en niemand zal ze uit mijn hand roven. Het werkwoord ‘roven’ betekent: grijpen, met geweld wegnemen, beslag leggen op. Als we door het gehoor geven aan de woorden van Jezus veranderen van schaapachtige, verburgerlijkte christenen, tot leerlingen van de Allerhoogste, dan zijn we zó veilig in Zijn Hand, dat niemand ons daaruit kan roven. Dan hoeven we dus nooit meer op onszelf te passen, voor onszelf op te komen… Wat zal er dan veel tijd overblijven, vrij komen, om ons geheel te gaan wijden aan de geweldige opdracht die Hij ons geeft om Zijn getuigen te zijn, een waarschuwingsteken voor de grote mensen-kudde, die voortjagend de (zelf)vernietiging tegemoet ‘graast’!

Bijbeltekst week 2020 – 37

Ja, van oudsher heeft men het niet gehoord noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht.

Jesaja 64:4

De Bijbeltekst voor deze week begint met: van oudsher. Dat is een prachtige uitdrukking. Maar dit Hebreeuwse woord drukt niet alleen het verleden uit, maar ook de toekomst. Het woord is afgeleid van een werkwoord, dat de betekenis heeft van: verbergen, geheim zijn, altijd durend, niet eindigend. Van oudsher houdt dus iets oneindigs in naar verleden, heden en toekomst: niet te bevatten, niet te doorgronden, niet te overzien. Wat houdt dit ‘niet te doorgronden’ in onze tafeltekst in? Het is iets wat ‘te horen’, ‘te vernemen’ of ‘te zien’ valt.

Dit ‘horen’ en ‘vernemen’ horen bij elkaar. Het zijn twee verschillende werkwoorden, die allebei met ‘horen’ te maken hebben. Het eerste echter legt meer de nadruk op het ‘horen’, ‘geluid waarnemen’ en het tweede meer op het ‘gericht luisteren naar’. Je zou kunnen zeggen dat het eerste op je afkomt: je hoort wat, en het tweede geeft weer, dat je gehoor geeft aan. Het eerste werkwoord zou meer de betekenis kunnen hebben van: het ene oor in, het andere uit, maar het tweede drukt het verlangen uit om er gevolg aan te geven. Dit laatste is zo anders, omdat het met relatie, met liefde te maken heeft. Laten we het vergelijken met de situatie dat je ergens bent en je je naam hoort roepen. Je kijkt verbaasd rond om te weten te komen wie jou hier kent. Maar het tweede is anders: je herkent aan de stem degene die je naam roept en dat doet je verlangen naar alles wat nu verder gaat gebeuren in het contact met elkaar.

Direct daar achter staat wat geen oog heeft gezien. Dit ‘gezien’ is meer dan ‘waarnemen’. Het heeft vooral ook te maken met ‘bezien om het te begrijpen’. Waar gaat het in onze tafeltekst nu om? Dat er in de oneindige tijd door de mens, behalve onze God, niemand ‘te zien’ is die ‘optreedt’. Bij het woord ‘optreden’ moeten we echt wel even stil staan! Want dit woord ‘optreden’ is een werkwoord dat meer dan 2.200 keer in het Oude Testament voorkomt en al in de eerste verzen van de Bijbel wordt gebruikt. In het ‘scheppingsverhaal’ (Gen 1:1 tot 2:4) staat dat God tweemaal ‘scheppend’ iets tot stand bracht: 1) de hemel en de aarde en 2) de mens. Voor het overige staat er geen ‘scheppen’, maar een werkwoord dat de betekenis heeft van: doen, vormen, tot stand brengen, maken. Wat is het goed om te beseffen dat dit ‘optreden’ (in onze tafeltekst) niets te maken heeft met een schouwspel, maar met een betrokken zorg.

En deze zorg van God is voor, ‘ten behoeve van’, ten dienste van: de mens die op Hem ‘wacht’. Maar dit ‘wachten’ is niet een passief wachten, niet een af-wachten! Nee, het is een ‘wachten op’, een ‘verwachten’! In het verband van onze tafeltekst is het nog meer. Het is een ‘verlangen naar’, een ‘uitzien naar’.

Wat hebben we weer een rijke tafeltekst. Natuurlijk lezen we deze tafeltekst, zoals die in de Bijbel vertaald staat. Maar toch weer even een eigen, heel vrije, vertaling, om het geluk dat vanuit deze woorden ons toe straalt, een week lang te bejubelen: Nooit zal er door een mens een god te verzinnen zijn, die meer zou kunnen zijn dan God, Die ieder, die naar Hem uitziet en zich aan Hem toevertrouwt, verzorgt, bewaart voor tijd en eeuwigheid.

Bijbeltekst week 2020 – 36

Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods.

Romeinen 15:7

De tafeltekst begint met Daarom, aanvaardt elkander.  Dit is een grondwaarheid van het evangelie en nog steeds blijkt deze oproep van Paulus zeer wezenlijk te zijn. Voor ieder van ons geldt de vraag: ‘aanvaard ik, zoals Christus mij aanvaardt’, en: ‘laat ik mij aanvaarden?‘ Als we lezen in de Bijbel wat aanvaarden eigenlijk betekent, is het zo volkomen anders dan wij er in het dagelijks spraakgebruik mee bedoelen. Daarin is het vaak zoiets als de ander ‘tolereren, gedogen’: de ander ‘aanvaarden’ als huisgenoot, collega, levenspartner en daarbij hebben we dan een manier van overleven gevonden.

Aanvaarden in de Bijbel heeft niets met dit slappe humane aftreksel te maken, maar betekent zoveel als: in de gemeenschap doen delen, welkom heten in je leven, mee onderweg nemen, in de kring opnemen. Kortom ‘aanvaardt elkander’ betekent zoveel als je leven delen. Op dezelfde wijze als Christus Jezus Zijn leven met ons gedeeld heeft. Zoals de Heer ons aanvaardt heeft, zo aanvaarden wij de ander, elkaar. Dit aanvaarden is onvoorwaardelijk, onbaatzuchtig. Zoals Jezus op aarde de mensen steeds weer opzocht, ze uitnodigde, ze aanvaardde, of ze nu gehate personen of geëerde burgers waren.

Neem bijv. Zacheüs (Lucas 19). Onvoorwaardelijk aanvaardde Jezus deze oppertollenaar, wilde in zijn huis vertoeven, en juist deze aanvaarding, deze liefde, deze openbaring van God, deed Zacheüs smelten. Jezus aanvaardde Zacheüs niet omdat hij zo goed was, aan die en die eisen voldaan had, maar vanwege Zijn liefde voor deze zoekende tollenaar heet Hij hem welkom in Zijn leven. Dat werkt wonderen uit en tot die gezindheid worden wij door Paulus opgeroepen.

Betekent dit dan dat je alles maar goed moet vinden? Helemaal niet. Aanvaarden betekent ook: serieus nemen. En een houding van alles door de vingers zien, of met de mantel der liefde bedekken, is juist helemaal niet serieus nemen. Iemand aanvaarden kan betekenen ‘iemand wakker roepen’, ‘durven botsen’, omdat een houding van ‘laat maar zitten’ alleen maar verdere vervreemding uitwerkt. Ter wille van Gods Koninkrijk, ter wille van het Bijbelse aanvaarden, kan er een strengheid nodig zijn, zoals dat bij God Zelf ook is. Want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon die Hij aanneemt (Hebr.12:6). Juist het tolereren, het gedogen, maakt tot bastaards; zo is God niet, en zo evenmin de gemeente Gods.

Het Bijbelse aanvaarden betekent niet alleen onvoorwaardelijk aanvaarden en het serieus nemen van de ander, maar het is vooral ook een aanvaarden zonder woorden. Woorden kunnen soms nog duidelijker maken, maar beslissend is onze houding, gezindheid. Intuïtief voelen mensen best goed aan hoe we tegenover elkaar staan. En zoals hoeren, tollenaars, zondaars haarscherp aanvoelden dat ze bij Jezus welkom waren, zo zal ook van ons afstralen wie bij ons welkom is, of ons aanvaarden selectief is of niet. Welke mensen trekken wij aan? Zijn we daarin een representatie van Jezus en van Zijn aanvaarden van mensen, of zoeken we liever de eer van mensen? Wie dit Bijbels aanvaarden tot zich laat doordringen, verstaat algauw de onmogelijkheid van deze opdracht. Zó aanvaarden, zó liefhebben, dienen, er zijn voor de ander, wie kan dat?

Daarom is het maar goed dat er staat: zoals Christus óns aanvaard heeft. Het is dus bij Hem begonnen. Jezus heeft Zijn leven voor ons door dood en opstanding gegeven. Hij heeft de weg tot dit leven vrijgemaakt. Met andere woorden, als we leven uit de aanvaarding van Christus voor ons leven, werkt Hij dat in ons uit. Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij, jubelde Paulus. Hij wist zich omarmd, aanvaard, vernieuwd door de Heer, zodat hij als een koperen, onneembare muur zijn plaats als apostel van Christus kon innemen. Laten wij ons aanvaarden? Laten we ons wel verzoenen? Vertrouwen we ons wel ten volle aan God toe en buigen we voor Zijn majesteit?

Doen we dat niet dan zal het aanvaarden van de ander in de gezindheid van Christus ook nooit ons leven bepalen en blijven we ver van Gods bedoeling met ons leven. Maar waar we met vreugde en verwondering ons gewonnen geven aan Hem, Die steeds weer van Zich spreekt, gaan we de onbaatzuchtige liefde van Christus ook in ons leven ontdekken. En dan zal het echte aanvaarden van de ander geen zware plicht voor ons zijn, maar onze hoogste vreugde worden.

Bijbeltekst week 2020 – 35

Maar wie de HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat.

 Jesaja 40:31

De tekst voor deze week begint met ‘Maar’. Er staat dus iets voor, wat belangrijk is. Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen (Jesaja 40:30). In tegenstelling met wat hier vermeld staat, volgt dan onze tekst: maar wie de HERE verwachten…

Ach, wat zijn we vaak moe! Het leven is ook zo ‘heftig’ zeggen we dan vaak. Ook in deze tijd: zoveel nieuwe situaties, zoveel om over na te denken. Wat fijn dat in de Bijbel staat dat zelfs jongelingen moe en mat worden en struikelen. Graag zetten we dan een punt, maar onze tafeltekst zet een komma! ‘…, maar wie de HERE verwachten,…’

Dan rijst de vraag: verwachten wij de HERE nu werkelijk, of is het slechts een godsdienstige gedachte?! Wat zou het ons goed doen, als we de moed hadden om, als we zo moe zijn en zo mat, ons dan voor Gods aangezicht af te vragen of we eigenlijk wel in de praktijk van ons dagelijks leven echt Hem verwachten.

‘Leer ons U meer verwachten, Heer’, zou dan ons gebed mogen worden. Het mag ook het gebed van deze komende week worden! Hij alleen immers kan ons leren wat het inhoudt om Hem echt te verwachten. We hebben de zalving van Gods Geest nodig om te leren leven en van daaruit op Hem te vertrouwen, Die de Bron van alle leven is!

Echt verwachten zet je in beweging, want ‘verwachten’ betekent ook ‘uitzien naar’ en het betekent nog meer. In de Bijbel wordt dit werkwoord ook wel vertaald met: ‘verzamelen, samenbinden’. Wat een rijkdom om te beseffen dat het verwachten van de HERE ons samenbindt, ons verenigt. Ja, dat geeft eigenlijk op zich zelf al nieuwe kracht. En het woord ‘kracht’ mag ook vertaald worden met ‘mogelijkheid’. Het verwachten van de HERE schept dus nieuwe mogelijkheden, maakt ons creatief!

Als je de diepe inhoud van deze tafeltekst tot je laat doordringen, dan strek je de kromme schouders en ga je diep adem halen, verwachtingsvol uitziende naar wat Zijn komst toch eigenlijk allemaal wel zal inhouden. En het vervolg van onze tafeltekst wijst ons in de goede richting. Daarom is het misschien wel goed om de hele tekst met elkaar op te zeggen, bij iedere maaltijd van deze week: zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat.

Bijbeltekst week 2020 – 34

Want des HEREN ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat.

2 Kronieken 16:9 

Wie de tafeltekst van de komende week tot zich laat doordringen komt tot het besef, dat de almachtige God een zoekend God is. Gods ogen gaan over de gehele aarde op zoek naar een mens. Wat voor mens? Een mens wier hart ‘volkomen’ naar Hem uitgaat.

Het is wel goed als we de betekenis van het begrip ‘volkomen’ even goed tot ons laten doordringen. Want het Hebreeuwse woord hiervoor is: Shaleem, wat wij kennen als de Joodse groet: Shalom. En dat betekent zoiets als: zuiver, vreedzaam, onverkort, niet opgesierd. Het is dus heel iets anders dan: volmaakt, perfect…

Het heeft niets te maken met een ‘resultaat’, maar veel meer met een gezindheid; een niet opgesierde, pure, ware, zuivere gezindheid: een kinderlijk verlangen naar Vader… Mensen met zo’n volkomen, kinderlijk, toegewijd hart neemt God op in Zijn armen om Zich aan hen te hechten, als een liefdevolle Vader aan Zijn kind. Om het voor altijd bij Zich te houden, te bemoedigen en te herstellen in de volkomen relatie met Hem. Deze onderstreepte woorden zijn allemaal betekenissen van het Hebreeuwse werkwoord wat bij ons vertaald is met: krachtig bijstaan.

Laten we daarom, als we de tafeltekst lezen, ons laten bevrijden van de gedachte, dat God de mens, waar Zijn hart naar uitgaat, krachtig zal bijstaan in de goede strijd die hij voor Hem voert. Nee, de tafeltekst van deze week vertelt ons dat God ons in Zijn armen wil nemen, om ons te koesteren, zodat we in Zijn geborgenheid tot volle ontplooiing zullen komen.

Ja, en als we ons zo aan Zijn liefde hebben overgegeven kan het best zijn, dat Hij ons dán ook zal inschakelen om de werken te werken, die Hij voor ons bereid heeft van voor de grondlegging der wereld. Omdat Hij ons eindelijk betrouwbaar heeft kunnen maken voor Zijn dienst aan de wereld om ons heen. Dit staat niet in deze tafeltekst, maar die belofte staat wel in de Bijbel.

Efeziërs 2:10 Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat we daarin zouden wandelen.

Bijbeltekst week 2020 – 33

Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen.

 Johannes 1:18

Is het wel waar wat Johannes ons vertelt: Niemand heeft ooit God gezien? En Mozes dan? Van hem wordt verteld: (Exodus 33:11)  En de HERE sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend;…

En zo zijn er zo veel voorbeelden uit de Bijbel te noemen:

  • Genesis 32:30  En Jakob noemde de plaats Pniël, want [zeide hij] ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven.
  • Richteren 6:22  Toen begreep Gideon, dat het de Engel des HEREN was, en hij zeide: Wee mij, Here HERE! want ik heb de Engel des HEREN gezien van aangezicht tot aangezicht
  • Zelfs van heel het volk wordt gezegd: Deuteronomium 5:4  Van aangezicht tot aangezicht heeft de HERE met u gesproken op de berg uit het midden van het vuur

Van aangezicht tot aangezicht met God spreken is toch veel meer dan Hem alleen maar zien?! De apostel Johannes zal dus meer hebben bedoeld dan we zo maar in eerste instantie verstaan.

Wat hebben we het nodig om, ieder persoonlijk, Gods Stem te verstaan; niet alleen verstaan, maar ook te gehoorzamen. God spreekt tot ons, door zijn profeten, door zijn Geest. Maar ook in het handelen van God in deze wereld. Maar het verstaan van zijn Stem is alleen mogelijk als we ons laten verlossen van de macht van de wereldgeesten. Zoals Paulus het zegt: En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat …(Rom.12:2).

Deze wereldgeesten bepalen het denken van de hele wereld. Maar wij, die van Jezus willen zijn… wij willen, verlost van de macht van de wereldgeesten, alleen maar door Gods Geest geïnspireerd worden in heel ons denken. Want: (1 Korintiërs 2:14Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is.

Niemand heeft ooit God gezien. Nee, wat een mens ooit van God gezien heeft was de Zoon: in het Oude Testament de Engel des HEREN. Zo wordt Hij voor het eerst genoemd in: Genesis 16:7 En de Engel des HEREN trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.

En in het Nieuwe Testament Jezus van Nazareth: Johannes 14:9  Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?

De enige die God werkelijk heeft ‘gezien’ is Jezus van Nazareth, want Hij was, als de Zoon, aan de boezem des Vaders, van voor de grondlegging van deze wereld! En wie Jezus heeft leren kennen, niet zijn gestalte, maar Zijn wezen, heeft de Vader leren kennen. Ja, zelfs nog meer dan van aangezicht tot aangezicht: Zijn wezen! Want, zo zegt Jezus het immers zelf (Johannes 14:9).

En laten we bij het lezen van de tafeltekst van de komende week nooit vergeten, dat, als de apostel Johannes zegt: …, die heeft Hem doen kennen, hij dan als Jood gesproken heeft en niet als een Griek. Immers het ‘kennen’ waar Johannes van spreekt is het Hebreeuwse ‘kennen’: ‘Jada’ en dat betekent: wederzijds kennen, samen weet hebben van…

Bijbeltekst week 2020 – 32

Indien iemand Mij wil dienen, hij volge Mij, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem eren. 

Johannes 12:26

De tafeltekst begint met het woord ‘indien’. Dit kan ook vertaald worden met: ‘in het geval dat’. De tekst begint dus met: In het geval dat iemand Mij dienen wil, … dan moet hij Mij volgen. In het werkwoord ‘dienen’ zit het Griekse woordje ‘diaken’ en dat betekent: de bevelen van een meester uitvoeren. En het werkwoord ‘volgen’ betekent letterlijk: dezelfde weg gaan. Maar dan niet in een betekenis als ‘toevallig’ dezelfde weg gaan, maar er dus bewust voor kiezen: zich bij iemand voegen als leerling.

Het begin van onze tafeltekst zou dus ook zo kunnen luiden: ‘In het geval dat iemand bereid is om al Mijn bevelen uit te voeren, dan moet hij dezelfde weg gaan, die Ik ga, om Mijn leerling te kunnen zijn.’ Wie hier ‘Ja’ op zegt gaat tot de wonderbaarlijke ontdekking komen, dat de belofte van de Here Jezus dan in vervulling gaat: ‘waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.’

Het woordje ‘en’ heeft heel vaak in het Grieks veel meer betekenis dan bij ons. Meestal betekent ‘en’ bij ons gewoon ‘plus’. Maar in het Grieks legt ’en’ een ‘oorzakelijk verband’. Dit wil zeggen dat het één verband houdt met het ander. Dat is in de tafeltekst voor de komende week zeker het geval! Pas ‘In het geval dat iemand bereid is om al Mijn bevelen uit te voeren, en daarom bereid is om dezelfde weg te gaan, die Ik ga, zal hij Mijn leerling kunnen zijn en  (= en dan geldt de belofte:) waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.’  Zó zouden we het eerste gedeelte van de tafeltekst wel een tijdje boven onze tafel kunnen hangen! Want wat worden nu veel ‘woorden’ uit de Bijbel voor ons duidelijk…

Als we hiermee biddend bezig zijn, zullen de woorden van het tweede gedeelte van onze tafeltekst krachtig gaan jubelen in ons hart: Indien iemand Mij (zo) dienen wil, de Vader zal hem eren.

Dit laatste gedeelte heeft natuurlijk alles te maken met: ‘waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn’. Want in dit ware discipelschap (leerling zijn) maakt Jezus ons tot ‘huisgenoten Gods’: Efeze 2:19  Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. Daar is God, de Schepper van Hemel en Aarde, onze Hemelse Vader, onze eeuwige Gastheer! Daar worden we door Hemzelf ‘verzorgd’. Ja, want dat is de diepste betekenis van het Griekse woord ‘eren’. Eigenlijk is er een nog mooiere betekenis van dit werkwoord: in de handen dragen… Dat is heel wat rijker dan wat wij vaak van het woord ‘eren’ maken: op de handen dragen.

Pas als de tafeltekst van de komende week in ons leven tot ‘vlees en bloed’ wordt: gestalte gaat krijgen, dan gaan we beleven hoe nú al, in dit leven, we door Jezus tot huisgenoten Gods worden gemaakt: hemelburgers. Daar is God onze eeuwige Gastheer, die in al onze noden rijkelijk voorziet en … We houden op met verder schrijven! Maar in ons hart gaan we verder. Dan zal het wonder, waar de wereld al zo lang tevergeefs naar uitziet werkelijkheid worden. Dat wij als huisgenoten Gods ons verheugen in Zijn zorg voor ieder, die in ons zodanig Jezus’ leven herkent, dat zij, met ons mee, leerling van Hem willen zijn.

Bijbeltekst week 2020 – 31

Genees mij, HERE, dan zal ik genezen zijn; help mij, dan zal ik geholpen zijn, want Gij zijt mijn lof.

Jeremia 17:14 

Bij het lezen van de tekst voor deze week bidden we om twee dingen:

  1. Genees mij, en
  2. help mij.

Waarom zou je, als je je kerngezond voelt, bidden om genezing en waarom zou je, als je voorspoedig bent, om hulp vragen? Hoort het soms bij ons christelijk leven, in onze stichtelijke ogenblikken, om te zeggen dat we ziek zijn en Zijn hulp echt nodig hebben…? Wat moet het in de hemelse gewesten dwaas overkomen, als we in ons dagelijks leven trots zijn op ons gezonde lichaam en op de manier waarop we ons door het leven slaan, maar alleen in onze ‘vroomheid’ ons ziek en hulpbehoevend verklaren…

Dat komt omdat we vertrouwd zijn met een ‘gespleten’ leven, een leven dat ergens een knopje heeft weten in te bouwen, waarmee we ons leven eenvoudig kunnen omschakelen van vroom tot normaal…  Het gebed dat in onze tafeltekst naar voren komt, wordt inderdaad belachelijk als we gewend zijn om een dubbel leven te leven!

Bijbels realisme wil zeggen: God kennen in alle aspecten van ons dagelijks leven. Maar het geheimenis van onze tafeltekst zit in de staart, de laatste vijf woorden: want Gij zijt mijn lof. Het woord lof  betekent ook ‘lied’, ‘loflied’ wel te verstaan, maar ook ‘roemen in Gods daden’, ‘dankzegging’, ‘aanbidding’. Als God mijn lof is, betekent dit dat ik niet meer op mezelf gericht leef, maar van me af leef. Dan let ik niet meer op hoe ik overkom bij de ander, maar let ik op Gods daden, die ik zoek te herkennen in de ander, in m’n naasten.

Ja, dan komt er verwondering om wie Hij blijkt te zijn, en kom ik onder de indruk van Zijn majesteit en macht! Zo groeit er zo’n diep vertrouwen dat Hij alleen bij machte is, zelfs mij om te vormen tot een nieuwe schepping. Dus is onze tafeltekst geen wanhoopskreet naar God om genezing en om hulp, maar veel meer een bereidverklaring van mijn ziel, om me te laten genezen en te laten helpen. Dan…ja dan…

Maar laten we dan beginnen met wat aan het eind van de tekst staat. Laten we de tekst gewoon omdraaien:

Omdat Gij mijn lof zijt, wil ik me volkomen laten genezen en me helemaal, door U alleen, laten helpen.

Zo zullen we merken dat Gods genezing veel dieper gaat dan een herstel van allerlei lichamelijke kwaaltjes en kwalen, maar ervaren we de diepe gezondmaking van ons denken. Dan worden we niet slechts uit – voor ons zo – moeilijke situaties geholpen, maar gaan we ervaren wat hulp van Godswege werkelijk inhoudt: behoudenis, verlossing en overwinning.

Bijbeltekst week 2020 – 30

Daarom vertrouwen op U wie uw naam kennen, want Gij hebt nooit verlaten wie U zoeken, o HERE.

Psalm 9:11

In de tekst van de vorige week: Zoekt de HERE, terwijl Hij zich laat vinden,…(Jes.55:6), hebben we uitgebreid gelezen over de betekenis van het woord ‘zoeken’. Bij deze tekst kwam duidelijk naar voren dat je niet ‘iets’ zoekt, maar ‘iemand’: Hem. Voor deze week staan we stil bij het woord ‘vertrouwen’.

Omdat deze tekst met ‘Daarom’ begint, is het goed om even naar het 10e vers te kijken: De HERE is een burcht voor de verdrukte, een burcht in tijden van nood. Wat is het goed om terug te denken aan de trouw van God in je leven, om altijd in gedachten te houden, hoe Hij ons tot hier geleid heeft. Want als je nooit ervaren hebt, dat de HERE een burcht, een toevlucht, een schuilplaats was in tijden van nood, als je dit alleen maar als een mooie gedachte met je meedraagt, dan mis je heel veel: echt vertrouwen! Want vertrouwen doe je alleen als je uit ervaring hebt geleerd, dat Hij te vertrouwen is!

Pas dan voel je je echt veilig bij Hem, kun je onder de meest uitzichtloze omstandigheden rustig blijven, durf je zelfs zorgeloos te zijn . . .  Dat houdt het woord ‘vertrouwen’ in. Dit ‘vertrouwen’ is er dus alleen als je Zijn Naam kent. Dat wil zeggen: dat je Zijn faam, Zijn roem, ontstaan door Zijn handelen in ons leven, hebt leren kennen. En dat ‘kennen’ is het Hebreeuwse werkwoord: samen met Hem er weet van hebben.

Want als je in beproevingen niet je armen uit de mouwen hebt gestoken om je zelf er uit te redden, maar gemerkt hebt dat Hij bij je was en voor je zorgde, ja dan weet je dat Hij, al ga je door een dal van diepe duisternis, bij je is. Als God ons blijkbaar bij name kent, dan weet je, doet Hij je weten, dat Hij je nooit zal verlaten, nooit zal begeven. Dat is een grote zekerheid voor degenen die niet alleen :’Oh God!’ roepen in tijden van nood, maar voor wie Hem willen kennen in al hun wegen. Dat blijkt uit het werkwoord ‘zoeken’ waar onze tafeltekst mee eindigt. Want dit zoeken betekent ook: vragen, raadplegen, je toevlucht zoeken bij.

Als wij onze hemelse Vader onder alle omstandigheden hebben leren raadplegen, Hem hebben willen leren kennen, op al onze wegen, dan blijkt er, ook onder echt moeilijke omstandigheden, zo’n volkomen rust, zo’n gerustheid te zijn, omdat Hij het ons heeft doen ‘weten’ dat Hij altijd met ons is. Want God is niet een God van verre; Hij wil heel nabij zijn: Zie, Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld, Dit ‘vertrouwen’ maakt ons bruikbaar voor de komst van Zijn Rijk.

Bijbeltekst week 2020 – 29

Zoekt de HERE, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.

Jesaja 55:6

Jezus heeft gezegd: zoekt en gij zult vinden (Mattheüs 7:7). De Heer heeft daarbij hetzelfde bedoeld als in de woorden van Jesaja. Het Griekse werkwoord voor zoeken heeft meer te maken met ‘ontdekken’ dan met ‘vinden’. En dat is ook het geval met het Hebreeuwse werkwoord ‘zoeken’ in Jesaja 55: vragen, raadplegen, maar ook: je toevlucht zoeken bij. Hierdoor wordt het dan wel duidelijk, dat je niet ‘iets’ zoekt, maar ‘iemand’: Hem.

Heel duidelijk komt dit ook naar voren door wat er achter staat: terwijl Hij Zich laat vinden. Je gaat Hem zoeken, je verlangt Hem meer te leren kennen, je toevlucht bij Hem te zoeken en Hem te raadplegen, omdat je alleen niet verder kan . . . Dit laatste is het grote wonder! Want in deze wereld word je geleerd om zelfstandig te zijn, assertief, voor jezelf op te komen. Maar als Gods Geest werkt in je ziel, dan word je vermoeid en beladen; je komt met je rug tegen de muur te staan. En het duurt wel heel lang vaak voordat je beseft dat dit genade van God is!

Dit laatste komt eigenlijk ook uit in het zinnetje: terwijl Hij Zich laat vinden. Want ‘zich laten vinden’ kun je ook vertalen met: Zijn aanwezigheid kenbaar maken, Zijn gunst betonen… Het is, omdat je je bewust gaat worden van Zijn bestaan, Zijn aanwezigheid, Zijn vrede, dat je ernaar gaat verlangen, niet om kennis over Hem te verkrijgen, maar Hem meer te leren kennen, te raadplegen, je bij Hem veilig te voelen.

De tekst van de komende week zou misschien wat duidelijker worden als we deze twee stukjes in omgekeerde volgorde zouden plaatsen: Terwijl Hij Zich laat vinden, zoekt dan de Here. Of met andere woorden: Zolang de Here laat merken, dat Hij er voor je is (om je te bergen in Zijn armen), zoek je toevlucht dan ook bij Hem, laat je dan ook in Zijn armen rusten…

Roept Hem aan, terwijl Hij nabij is zou je ook kunnen vertalen met: vraag Hem om hulp zolang Hij het allerdichtst bij je is. Ja, want het woord ‘nabij’ betekent zoiets als: naaste bloedverwant, persoonlijke relatie. God is niet een God van verre; Hij wil heel nabij zijn: Zie, Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld, heeft Jezus gezegd. En de apostel Paulus zegt: Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem (Kolossenzen 2:6).

Als we deze tekst overdenken, de komende week, laat het dan voor ons allemaal een oproep worden, om al het afstandelijke, al het beschouwelijke, prijs te geven. Om dankbaar gebruik te gaan maken van het grote wonder dat Hij een gemeente geeft, waar Hij zó Zijn liefde en genade schenkt, dat het voor de meest angstige mens mogelijk wordt om zich aan Hem te gaan toevertrouwen, onvoorwaardelijk, bevrijd van alle reserves!

Bijbeltekst week 2020 – 28

Nochtans zijt Gij de Heilige, die troont op de lofzangen Israëls.

Psalm 22:4

De tekst begint met Nochtans . . . Er gaat iets aan vooraf wat te maken heeft met deze jubelroep: “Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet, en des nachts, en ik kom niet tot stilte.” David is dus in grote nood! De hemel lijkt van koper; hij roept tot God maar hij krijgt geen antwoord, komt niet tot rust. Maar hij weet dat dit niet aan God ligt. Hij kent God en heeft Zijn nabijheid ervaren, zelfs onder de moeilijkste omstandigheden. Nu zijn er weer moeilijke omstandigheden, maar waar is God nu toch op wie Hij zijn vertrouwen heeft leren stellen?! Hoe beschamend rijk zijn dan de woorden van deze grote koning. We kunnen deze tafeltekst niet zo maar opzeggen, als we geen respect hebben voor de woorden die hier aan vooraf gaan.

Het woord ‘nochtans’ is een woord dat je leert uitspreken door beproevingen heen, beproevingen die God in ons leven brengt om ons te leren in alles alleen op Hem te vertrouwen. Tenminste… als je ooit eens naar Hem toe hebt uitgesproken betrouwbaar te willen zijn. Alleen door beproevingen heen wordt onze tafeltekst een werkelijk getuigenis, waarin we alleen maar kunnen roemen in de trouw van God.

Nochtans – ‘hoe dan ook, wat me ook overkomt’ – Gij zijt de Heilige. Voor de gelovige Jood is dit één van de kostbaarste eigennamen van God. Heilig is iemand die zich met een volkomen hart wijdt, hier dus God van Wie David weet dat Hij zich onvoorwaardelijk wijdt aan de Zijnen. Maar de Zijnen zijn degenen die van harte verlangen om zich geheel aan de Heilige, aan God, te wijden.

David getuigt, door heel zijn leven heen, dat hij, wat hij er ook van terecht zal brengen, geheel en al voor God wil leven. En zo heeft hij God leren kennen als Hij die troont op de lofzangen van Israël.

Het werkwoord ‘tronen’ is weer zo’n prachtig woord wat onze aandacht mag hebben. In het moderne Hebreeuws betekent dit werkwoord gewoon: gaan zitten. Het kan natuurlijk ook wat deftiger vertaald worden met: zich nederzetten etc. Maar de Bijbel toont ons diepere betekenissen van dit werkwoord ‘tronen’:

  • zich vestigen:   Jeremia 49:1b Waarom heeft Milkom Gad in bezit genomen en diens volk zich in zijn steden gevestigd?
  • bewonen: Jesaja 45:18 (Hij is God) die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd.
  • verblijf zoeken: Exodus 2:15 Toen Farao van deze zaak hoorde, trachtte hij Mozes te doden, maar Mozes vluchtte voor Farao en zocht verblijf in het land Midjan.
  • zich bevinden: Jeremia 32:12b …, en al de Judeeërs die zich in de gevangenhof bevonden.
  • maaltijd houden, aanzitten: Spreuken 23:1 Wanneer gij bij een heerser tafelt, bepaal dan uw aandacht alleen bij wat voor u staat,

Zo gaan we verstaan dat God niet hoog verheven ‘troont’ op de lofzangen, maar dat Hij, waar we echt Hem de lof toe zingen, dat dit is: het roemen in de eigenschappen, het wezen, van God en het verrukt zijn van Zijn handelen in ons leven. Als wij onze liederen zingen en dit zingen is niet voortgekomen uit het verrukt zijn over wie Hij is in ons leven, dan wordt ons zingen een bespotting van Gods heerlijkheid en maken we, al zingende, de hemel van koper.

Als we God de lof toe zingen, dan gaat het niet om onze mooie stem of onze vrome blik. Nee, de lofzang kan juist heel stil zijn, als een uitstraling van ons leven. Daarom wordt dit woord ook wel vertaald als ’lofgewaad’. Dan wordt het gebruikt samen met het woord, dat ‘mantel’ of ‘omslag’ betekent:

Jesaja 61:3 om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest. En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting des HEREN, tot zijn verheerlijking.

Wat zou de wereld om ons heen er anders uitzien, als we de grote daden van God niet alleen maar uitzingen, maar vooral ook uitstralen, als een feestkleed om ons heen . . .

Ja, als we zó Hem de lof ‘toebrengen’ dan klopt Hij aan onze deur en laten we Hem graag binnen om Hem onder ons te doen tronen, te wonen, aan te zitten, te (ver)blijven. Dan zal Hij ons kunnen aanbevelen als Zijn getuigen, overal waar Hij ons brengen zal.

Bijbeltekst week 2020 – 27

Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de HERE vertrouwt, is onaantastbaar.

Spreuken 29:25

De tekst voor deze week geeft veel stof om over na te denken. Allereerst de eerste drie woorden: Vrees voor mensen. Met evenveel recht kan het vertaald worden met: Vrees van mensen. Als we dat doen, wordt de inhoud van de tekst heel anders.

Het woordje ‘vrees’ kan ook vertaald worden met: angstige zorg. Deze ‘angstige zorg’ is zo kenmerkend voor wat wij ‘volwassen zijn’ noemen. Het staat zo lijnrecht tegenover de zorgeloosheid van een kind. Maar een kind kent geen echte zorgeloosheid als het zich niet geborgen voelt in zijn ouders. Alleen een kind dat opgroeit in de geborgenheid, de veiligheid van een gezond gezin, waar liefde regeert, straalt deze onbevangen zorgeloosheid uit. En waar deze veiligheid ontbreekt, wordt de basis gelegd voor veel geestelijke afwijkingen die in het latere, volwassen leven openbaar komen. Eén van deze geestelijke afwijkingen is de ‘angstige zorg’ waar deze tafeltekst over spreekt.

Wat gaan de woorden van God, die Hij tot Mozes sprak dan duidelijk worden:

Numeri 14:18  De HERE is lankmoedig en groot van goedertierenheid, vergevende ongerechtigheid en overtreding, hoewel Hij zeker niet ongestraft laat, maar de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht.

Er is zo veel reden om angstige zorg te hebben, zeker als mensen van onze tijd! Deze angstige zorg voor het leven, zo zegt onze tekst: spant een strik.  Het woord strik heeft natuurlijk niets te maken met: een mooie das strikken, maar met: valstrik. Maar het woord betekent ook ‘lokaas’. Wie z’n leven laat bepalen door angstige zorg, trekt zorgelijke dingen naar zich toe. Angst maakt angstig en wekt agressie naar elkaar. God heeft de mens niet geschapen om bepaald te worden door angstige zorg, maar om waarlijk vrolijk te zijn: Deut.16:15b   …; want de HERE, uw God, zal u zegenen in heel uw oogst en in al het werk uwer handen, zodat gij waarlijk vrolijk kunt zijn.

Wie zich laat bepalen door angstige zorg kán niet echt vrolijk zijn! Maar God schenkt ons in Zijn liefde echte vrolijkheid als een vrucht van de Geest: Galaten 5:22  Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.

En de tekst voor deze week wijst ons de weg naar die werkelijke levensvreugde: maar wie op de HERE vertrouwt, is onaantastbaar.

Het Hebreeuwse werkwoord ‘vertrouwen’ heeft zo’n rijke betekenis: zich veilig voelen, zijn vertrouwen vestigen op, zorgeloos zijn. Er is voor ons en voor degenen die God ons toevertrouwt echt geen toekomst, tenzij we leren nu werkelijk op Hem te vertrouwen – ons veilig gaan voelen bij Hem, zorgeloos durven zijn, omdat Hij voor ons zorgt: 1 Petrus 5:7 Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. Want als we zo op Hem leren vertrouwen dan maakt Hij ons onaantastbaar.

En het Hebreeuwse woord ‘onaantastbaar’ vertelt ons ook weer zo veel: hoogverheven zijn (boven de angstaanjagende gebeurtenissen in de wereld rondom ons), ontoegankelijk zijn (voor de denkwerelden van onze tijd), beveiligd zijn in de hoogte (omdat Hij ons tot Hemelburgers maakt).

Bijbeltekst week 2020 – 26

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods.

Kolossenzen 3:1

De tafeltekst voor de deze week geeft een opdracht: zoekt de dingen, die boven zijn. Deze opdracht is gericht tot degenen, die weten dat zij met Christus ‘opgewekt’ zijn . . . Voor het woord ‘opgewekt’ wordt in de grondtekst een werkwoord gebruikt dat de betekenis heeft: vanuit de doodsslaap wekken, de doden terugroepen tot het leven. Maar aan dit werkwoord is nog een woordje toegevoegd: ‘samen’. Hierdoor krijgt dit werkwoord een heel specifieke betekenis die in de literatuur eigenlijk alleen maar in de Bijbel voorkomt en dus een heel eigen, christelijke betekenis heeft gekregen: samen opwekken uit de dood tot een nieuw en gezegend leven, toegewijd aan God. In onze tafeltekst staat dus eigenlijk: Indien gij dan met Christus uit de dood bent opgewekt om samen met Hem een nieuw en gezegend leven, toegewijd aan God te leven . . . 

Dan duizelt het wel even een beetje in je denken, want dan gaan er zo veel uitspraken van de Bijbel door je heen! We denken dan bijvoorbeeld aan: Zie, Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld, en Galaten 2:20  Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, [dat is], niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu [nog] in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.

In al deze woorden gaat het niet om een leven voor Hem, maar samen met Hem. Wie daar iets van is gaan proeven heeft dus de opdracht die in onze tafeltekst staat: zoekt de dingen, die boven zijn.

Voor het werkwoord ‘zoeken’ staat een woord dat het beste te omschrijven is met: zoeken [om te ontdekken] door na te denken, te beredeneren, te onderzoeken. Het leven met Christus is dus een soort ontdekkingstocht . . . Wat mogen we dan, samen met Hem, ontdekken? Dat wat er achter staat: de dingen, die boven zijn. Hier staat in onze tekst alleen maar een bijwoord, dat aangeeft: naar boven, naar omhoog. Daarom zouden we dit misschien wel beter kunnen vertalen met: ontdek, samen met Hem, de dingen, die naar boven, naar omhoog leiden; ontdek, samen met Christus, de hemelse zaken. Daar is immers Christus, ‘gezeten’ aan de rechterhand Gods. Dat woord ‘gezeten’ geeft ook veel meer aan dan ‘zitten’. Het heeft de betekenis van: vast en onveranderlijk aan een bepaalde plaats gebonden zijn; daar waar je thuis bent dus.

En dan nog even iets over ‘aan de rechterhand Gods’. Dat staat er heel letterlijk, maar het woord betekent niet alleen ‘rechterhand’, maar ook: een plaats van eer of gezag. Tot slot maar weer een ‘eigen’ vertaling, om deze tafeltekst wat levendiger, meer aanspreekbaar voor ons te maken:

Indien gij dan met Christus uit de dood bent opgewekt om samen met Hem een nieuw en gezegend leven, toegewijd aan God te leven, ontdek dan [in het leven en in het gesprek met Hem] de hemelse zaken, waar Christus in thuis is, omdat Hij in de Hemel voor altijd een plaats van eer en ontzag bij God heeft.

Bijbeltekst week 2020 – 25

Voorwaar, Ik zeg u: Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan.

Lucas 18:17

De tafeltekst voor de komende week begint met: Voorwaar, Ik zeg u: en we moeten deze woorden er zeker bij opzeggen. Want dan beseffen we dat hier iets heel belangrijks door Jezus is gezegd. Wij zouden in onze tijd zeggen: Let nu even heel goed op wat ik zeg. Jezus spreekt hier over de voorwaarde voor het binnengaan van het Koninkrijk Gods. Het Koninkrijk Gods is het gebied waar God regeert, waar Hij het onvoorwaardelijk voor het zeggen heeft.

Het is wonderlijk dat in deze weinige woorden van Jezus gesproken wordt over ontvangen en over binnengaan. Beide werkwoorden hebben heel veel met elkaar te maken. ‘Ontvangen’ wil zeggen: met beide handen aanpakken om je er geheel aan te wijden, het helemaal in je op te nemen. Dit werkwoord past helemaal bij de instelling van een kind dat een cadeautje ontvangt: onvoorwaardelijk, vol vertrouwen aanpakken om er helemaal in op te gaan. Het woord ‘kind’ is hier beter vertaald met kindje, hierbij denkend aan ten hoogste zo’n 7 jaar oud. Zoals een kleuter een geschenk met beide handen aanpakt en alles om hem heen vergeet, geboeid door wat nu van hem is, zo moeten wij het Koninkrijk in ontvangst nemen, omdat we het anders geenszins, dat wil zeggen onmogelijk, kunnen binnengaan. Het werkwoord ‘binnengaan’ wordt veel gebruikt bij het naar binnen gaan van voedsel in de mond.

Het wordt ook gebruikt als een aanduiding voor wat het betekent als een kind bij het volwassen-worden de maatschappij binnengaat: zich er geheel door laat omgeven, verwachtingsvol, vol vertrouwen. Het is voor de mens onmogelijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan, als we nog een achterdeurtje hebben naar wat we eigenlijk moeten achterlaten. Wees niet ongerust, wie nog reserves heeft kán het Koninkrijk niet binnengaan. Een achterdeurtje heeft dezelfde uitwerking als een geweldige, openstaande, voordeur: onmogelijk om ook maar één stap binnen het Koninkrijk van God te zetten . . .

Wie nog wijs wil zijn in deze wereld, zal altijd reserves behouden: “ik vraag mezelf af . . “.  De meest bescheiden reserves zijn in staat om betonnen muren te bouwen tussen ons en het naderende Koninkrijk van God. Daarom: laat het tot ons doordringen, dat het de hoogste tijd wordt om te worden als een kind, vóórdat Zijn voeten staan op de Olijfberg. Wie om zich heen kijkt, de krant leest, het nieuws ziet, weet dat de tijd om alsnog als een kind te worden nog maar héél kort kan zijn.

Bijbeltekst week 2020 – 24

En hij liet alles achter, stond op en volgde Hem.

Lukas 5:28

In de tafeltekst van deze week wordt gesproken over Levi. In dit bijbelgedeelte lezen we dat Levi een tollenaar was. Hij was een hoge beambte, die in dienst stond van Herodes Antipas. Deze Herodes was viervorst over Galilea en Perea. Levi inde de belasting die geheven werd over de goederen, die in- en uitgevoerd werden over de grens. Tollenaars werden, vooral bij de gelovige joden, vaak op één lijn gezet met de zondaren. Zij werden geëerd en veracht; geëerd om hun hoge positie en veracht om hun hebzucht en de grove manier waarmee zij de reizigers vaak behandelden. Daarom werden tollenaars uitgesloten van de samenkomsten in de synagoge.

Levi was aan het werk toen Jezus tegen hem zei: Volg Mij! Dan komt er een wonderlijke reactie, die we vaker in de Bijbel lezen, en het begin van onze tafeltekst is: En hij liet alles achter, … Wat moeten we daar onder verstaan? Er wordt in de grondtekst een werkwoord gebruikt, dat o.a. vertaald kan worden met: onverzorgd achterlaten, iets of iemand achter laten zonder zorg er voor te hebben, links laten liggen. Levi liet dus zijn bron van inkomsten, zijn middelen van bestaan achter: anderen moesten er mee doen wat ze wilden. Een onverantwoord gedrag, zullen we ongetwijfeld zeggen …

Hij stond op … hij hield dus op met zijn werkzaamheden en volgde Jezus. Voor dit ‘volgen’ is een woord gebruikt dat de betekenis heeft van: iemand als leerling volgen. Wat een ingrijpende verandering vond er plaats in het leven van deze Levi: van veracht en geëerd man werd hij tot een leerling …

Hij was blijkbaar niet onbemiddeld want het verhaal in de Bijbel gaat verder met: En Levi richtte een grote maaltijd voor Jezus aan in zijn huis, en er was een grote menigte tollenaars en anderen, die met hen aan tafel waren. Bij Jezus schaamde hij zich niet voor zijn oude beroep. Hij nodigde immers een menigte van tollenaars uit om samen met Jezus aan één tafel te gaan! Wat moet hij Jezus goed gekend hebben; hij wist dat er voor Jezus ook geen enkel bezwaar bestond om met zulke, door de ‘hooggeplaatsten’ van die tijd, verachte tollenaars samen te eten. Levi verlangde er naar om zijn vreugde: van Jezus te zijn, met zijn ‘vrienden’ te delen en bracht ze dus met hem bijeen aan één tafel. Wat een diepe verandering vond er plaats in het leven van Levi! Hij, de gearriveerde burger, werd leerling van Jezus en liet zich van af nu niet meer bepalen door wat achter hem lag, maar door al hetgeen hij van Jezus zou gaan ontvangen. Is dit niet het grote geheimenis van het volgen van Jezus? Ook voor ons?! Jezus heeft toch niet zo maar gezegd: Niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods

(Lukas 9:62). En Paulus zegt …, maar één ding doe ik: vergetende hetgeen achter mij ligt, en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus (Fil.3:14). Ook hier wordt weer een werkwoord gebruikt dat zo veel te maken heeft met dat: ‘alles achterlaten’. Hier staat in de grondtekst een werkwoord dat zoiets betekent als: verwaarlozen, zich niet langer bekommeren om. Wat hebben wij een echte openbaring van de levende Heer nodig, om zo onder de indruk van Hem te raken, dat we echt los komen van de, zoals Jezus het noemde: de zorgen van de wereld en het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar al het andere … (Marcus 4:19). Wat een zegen dat er nog plekjes zijn, stukjes Gemeente van Christus, waar deze bevrijdende openbaring nog werkelijkheid kan zijn.

Abonneer je op de weektekst

Voer je e-mailadres in om wekelijks de bijbeltekst te ontvangen.

Voeg je bij 116 andere abonnees

Archief