Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.

Jesaja 9:5

We bereiden ons voor op het Kerstfeest. Naarmate het licht van God in onze harten doordringt, gaan we beseffen hoe we vervreemd zijn van de grote vreugde waarmee de engelen de geboorte van Jezus, in de stal van Bethlehem, aan de herders aangekondigd hebben. Het was alsof een ingehouden adem eindelijk werd uitgeblazen: Hoe lang hebben de overheden en machten in de eeuwige, Hemelse gewesten uitgezien naar dit moment. En zij niet alleen! Want door de duizenden jaren heen, hebben gelovigen uitgezien naar de vervulling van de belofte, die God aan Adam en Eva heeft gedaan:

En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen (Genesis 3:15). Deze heilige woorden zijn een bemoediging en vertroosting voor miljoenen mensen geweest. En telkens waren er weer profeten die deze blijde verwachting aanvuurden.

Hoe hartverwarmend klinken de woorden van de grote profeet Jesaja, ruim 600 jaren voor de engelen hun lied zongen in Efrata’s velden: Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst (Jesaja 9:5).

Ook Simeon verwachtte de vertroosting van Israël. Hoe kwam het dat hij de vertroosting van Israël verwachtte? Zou het komen omdat hij, door het Woord van God, gericht werd op de beloften van God? Simeon was een oud man, maar hij wandelde daadwerkelijk met God, want God sprak tot hem. Wat een rijke belofte ontving Simeon in zijn wandel met God: En hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had (Lukas 2:26).

En, gelukkig, hij was niet de enige gelovige in Jeruzalem. Daar was ook een Hanna, van wie geschreven staat: Ook was daar Hanna, een profetes. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag (Lucas 2:36).

Hoe komt het toch dat wij die onderstreepte regel zo onbelangrijk vinden, alsof het er gewoon voor niets staat…? Maken we ons van deze woorden af met de gedachte dat er nu geen tempel meer bestaat? Als we deze woorden lezen, laten we dan bidden tot God dat wij, net als Hanna, dag en nacht met vasten en bidden mogen leren verkeren in het huis van God… En wie echt en eenvoudig wandelt met God, zoals Abraham, zoals Simeon, zoals Hanna …, die ervaart de vervulling van de belofte van God. Hij zal ons namelijk tot de volle waarheid leiden door Zijn Geest: Doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij ons de weg wijzen tot de volle waarheid (Johannes 16:13).

Gods Geest leidde Simeon en Hanna in de weg van de volle waarheid. Hij bracht hen, heel praktisch, naar de tempel, toen Maria met haar Zoon daar binnenging ‘om met Jezus te doen overeenkomstig de wet’. Dat is wat we noemen: Bijbels realisme. En die realiteit, die volle waarheid, ging verder. Want toen Simeon zijn profetische woorden gesproken had, toen loofde Hanna God ‘en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachten.’