Want des HEREN ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat.

2 Kronieken 16:9

Wie de tafeltekst van de komende week tot zich laat doordringen komt tot het besef, dat de almachtige God een zoekend God is. Gods ogen gaan over de gehele aarde op zoek naar een mens. Wat voor mens? Een mens wier hart ‘volkomen’ naar Hem uitgaat. Het is wel goed als we de betekenis van het begrip ‘volkomen’ even goed tot ons laten doordringen. Want het Hebreeuwse woord hiervoor is: Shaleem, wat wij kennen als de Joodse groet: Shalom. En dat betekent zoiets als: zuiver, vreedzaam, onverkort, niet opgesierd.

Het is dus heel iets anders dan: volmaakt, perfect… Het heeft niets te maken met een ‘resultaat’, maar veel meer met een gezindheid; een niet opgesierde, pure, ware, zuivere gezindheid: een kinderlijk verlangen naar Vader… Mensen met zo’n volkomen, kinderlijk, toegewijd hart neemt God op in Zijn armen om Zich aan hen te hechten, als een liefdevolle Vader aan Zijn kind. Om het voor altijd bij Zich te houden, te bemoedigen en te herstellen in de volkomen relatie met Hem. Deze onderstreepte woorden zijn allemaal betekenissen van het Hebreeuwse werkwoord wat bij ons vertaald is met: krachtig bijstaan.

Laten we daarom, als we de tafeltekst lezen, ons laten bevrijden van de gedachte, dat God de mens, waar Zijn hart naar uitgaat, krachtig zal bijstaan in de goede strijd die hij voor Hem voert. Nee, de tafeltekst van deze week vertelt ons dat God ons in Zijn armen wil nemen, om ons te koesteren, zodat we in Zijn geborgenheid tot volle ontplooiing zullen komen. Ja, en als we ons zo aan Zijn liefde hebben overgegeven kan het best zijn, dat Hij ons dán ook zal inschakelen om de werken te werken, die Hij voor ons bereid heeft van voor de grondlegging der wereld. Want Hij heeft ons eindelijk betrouwbaar kunnen maken voor Zijn dienst aan de wereld om ons heen. Dit staat niet in deze tafeltekst, maar die belofte staat wel in de Bijbel: Efeziërs 2:10 Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat we daarin zouden wandelen.