Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve. 

Johannes 12:46

We bereiden ons voor op het Kerstfeest. Naarmate het licht van God onze harten doordringt, gaan we beseffen hoe we vervreemd zijn van de grote vreugde waarmee de engelen de geboorte van Jezus, in de stal van Bethlehem, aan de herders aangekondigd hebben. Het was alsof een ingehouden adem eindelijk werd uitgeblazen: Hoe lang hebben de overheden en machten in de Hemelse gewesten uitgezien naar dit moment. En zij niet alleen!

De grote profeet Jesaja heeft, ruim 600 jaren voor de engelen hun lied zongen in Efrata’s velden, hier hartverwarmende woorden over gesproken:

Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst (Jesaja 9:6).

Ook Simeon verwachtte in Jeruzalem de vertroosting van Israël. Hoe kwam het dat hij die vertroosting verwachtte? De Heilige Geest had hem gezegd dat hij niet zou sterven, voordat hij de Heiland der wereld zou hebben gezien.

En hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. (Lucas 2:26)

Simeon leefde toe naar het ogenblik dat deze belofte zou uitkomen. Hij legde deze ‘Godsspraak’ niet achteloos naast zich neer. Nee, hij zag uit naar deze, voor hem zo belangrijke, gebeurtenis.
Simeon wist dat hij, als hij eenmaal de Christus gezien had, zou sterven. Toen Simeon het kindje Jezus in zijn armen had, loofde hij God:

‘Nu laat Gij, Here, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben Uw heil gezien’ (Lucas 2:29).

God heeft dit heil bereid voor alle volken. Dit heil, Jezus Christus, de Here, is een Licht voor hen die in het duister wandelen. Een Licht, een grote Troost, een heilige Zekerheid, dat hun schuld is weggenomen. Want Jezus is het volmaakte Lam dat de zonde wegneemt van allen, die op Hem hun hoop gevestigd hebben.