Wekelijkse bijbeltekst

Bijbeltekst week 2018 – 34

God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen.

                                                                                                           Psalm 67:7

De tafeltekst voor de komende week is een woord uit de Psalmen. Deze psalm, waarschijnlijk geschreven door koning David, is geschreven als een ‘danklied voor de oogst’. De inhoud van deze psalm lijkt duidelijker, als we de laatste drie verzen bij elkaar lezen en dan wel in een andere volgorde: 7,8 en 6

De aarde gaf haar gewas, God, onze God, zegent ons;

8  God zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen.

Dat de volken U loven, o God, dat de volken altegader U loven.

Het doel van de zegen die God ons schenkt, is niet in de eerste plaats dat wij voorspoedig zijn. Maar dat we door deze zegen van God leren om Hem te vrezen: het hebben van diepe eerbied en kinderlijk ontzag voor Hem, Die ons schiep en voor ons zorgt.

In het bijbelboek Spreuken schrijft koning Salomo over deze vrees: Laat je hart … heel de dag blijven in de vreze des HEEREN. Want juist dan is er toekomst, en wordt je hoop niet afgesneden (Spr.23:17 HSV).

De profeet Jesaja profeteert over de Messias: En op hem zal de Geest des HEREN rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des HEREN; ja, zijn lust zal zijn in de vreze des HEREN (Jes. 11:2,3).

Vrees voor God is geen angst, maar vol aanbidding verrukt zijn van Vader. Dit krijgt gestalte in ons leven door beproeving en strijd. Als we bang zijn voor God, dan proberen we Hem te ontlopen, maar als we met ontzag vervuld zijn, dan willen we Hem kennen in al onze wegen, opdat Hij onze paden recht zal maken. Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden rechtmaken (Spr.3:6).

In Handelingen wordt van de gemeente getuigd: De gemeente dan door geheel Judea, Galilea en Samaria had vrede; zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren (Hand.9:31).

Als deze vreze des HEREN werkelijkheid wordt in ons leven, dan gaan we misschien ook iets beleven van het geheimenis van deze psalm uit onze tafeltekst. Om dit geheimenis duidelijk te maken, onderstrepen we even een gedeelte uit deze drie verzen: God, onze God, zegent ons, opdat alle einden der aarde Hem vrezen.

We zouden het tweede gedeelte: opdat alle einden der aarde Hem vrezen, ook kunnen vertalen met: opdat er niemand op aarde zal zijn die Hem niet vreest. De zegen van God die ons ten deel valt, moet dus verder reiken dan ons eigen leven. Daarom is het goed om de bede (van David) in ons hart over te nemen: 6  Dat de volken U loven, o God, dat de volken altegader U loven.

Het woord ‘altegader’ past niet meer in onze taalbeleving. Het betekent gewoon ‘al’ of ‘alle’ en over het woordje ‘volk’ hoeven we ook niet zo weids te denken. Het Hebreeuwse woord hiervoor wordt ook vaak vertaald met: mensen of familie (2 Kon.4:13).

Zo mogen de mensen die wij ontmoeten, getuigen zijn van de verwondering en dankbaarheid aan onze hemelse Vader, voor de ons geschonken zegen; opdat alle einden der aarde Hem vrezen.

 

 

 

Bijbeltekst week 2018 – 33

De wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.

1 Johannes 2:17

Door de schokkende gebeurtenissen in de wereld moet de tekst van deze week ons wel bijzonder aanspreken! De duisternis slaat steeds harder toe, meedogenloze terreur vernietigt levens in één klap… Angst grijpt ons allen aan: waar gaat het toch heen?!

Hoe indrukwekkend staat onze tafeltekst hier tegenover: De wereld gaat voorbij. Of onderstrepen deze woorden juist het actuele gebeuren? De ondergang van onze beschaving staat voor de deur. Wat een rust geven deze woorden van de apostel Johannes, als we beseffen dat hij dit tweeduizend jaar geleden schreef.

Waar zal hij aan gedacht hebben toen hij deze woorden schreef, wat zal hij hebben gezien? Veel belangrijker is het voor ons om te mogen verstaan, wat God ons nu wil zeggen als we deze tweeduizend jaar oude woorden tot ons laten doordringen, als we ze biddend opzeggen.

Als Johannes het over de ‘wereld’ heeft, dan gebruikt hij het Griekse woord ‘kosmos’. Dit kan hier vertaald worden met: de mensheid. Maar ook, zoals het woordenboek ons vertelt, met: het geheel van aardse goederen, rijkdommen, voordelen, genietingen, enz. Hoewel deze aardse goederen in feite hol, zwak en voorbijgaand zijn, wekken ze het begeren op, leiden van God af en zijn hinderpalen voor de zaak van Christus.

Deze laatste uitleg van het woord ‘kosmos’ willen we graag onderstrepen. Voor ons betekenen de woorden van Johannes dat al het ‘tijdgebondene’, wat ons zo verschrikkelijk van de zaak van Christus afleidt, voorbij gaat. Je zou dit ‘voorbij gaan’ ook kunnen vertalen met: er aan voorbij gaan, misleiden of verleiden.

Als Mozes aan Israël Gods geboden geeft, dan leert hij hun ook: ‘gij zult niet begeren’… We weten allemaal in ons leven wat een macht het ‘begeren’ heeft. Maar we mogen ook merken dat, in de groeiende liefde van en voor Jezus, het begeren, in welke vorm dan ook, wegsmelt als sneeuw voor de zon. Alleen als we dit wonder ervaren in ons eigen leven, gaan we verstaan wat Johannes tijdloos bedoelde met: En de wereld gaat voorbij en haar begeren.

Dit is een heilig verstaan van de woorden van God. Het geheimenis, om tot dit verstaan te komen, staat in het vervolg: maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.

Helaas blijft voor velen dit geheimenis een verborgenheid. Want: wat zal Johannes bedoeld hebben met: de wil van God doen? Allereerst: wat is de wil van God? In het Griekse woordenboek vinden we o.a. als vertaling van dit woord:

1) wat iemand wenst of besloten heeft te doen

1b) wat God verlangt dat door ons gedaan moet worden…

Wat prachtig dat er niet staat: wat God eist dat door ons gedaan moet worden… Alleen in de innige wandel met de Here, gaan we iets verstaan van dat diepe, respectvolle verlangen van God. Het is dus uit liefde tot Hem dat we gaan wensen, en uiteindelijk zelfs besluiten om te gaan DOEN wat Hij verlangt dat we zullen doen. Dit is het werk van Gods Geest aan de harten van mensen die naar God Zelf vragen.

Zo kan God verloren mensen maken tot hemelburgers. En het hoeft toch echt geen uitleg, dat hemelburgers tot in eeuwigheid ‘blijven’: aanwezig blijven, voortdurend vastgehouden worden.

 

 

Bijbeltekst week 2018 – 32

Welzalig het volk dat de jubelroep kent, zij wandelen, HERE, in het licht van uw aanschijn; in uw naam juichen zij de ganse dag, en door uw gerechtigheid worden zij verhoogd.

Psalm 89:16 en 17

Wat een heerlijke tekst, deze week! Als je het met elkaar opzegt, dan jubelt en danst het in je hart. En het mag doordansen en jubelen, al de uren van de dag!

Het woord ‘welzalig’ is ietwat ouderwets, past niet meer in ons taalgebruik. We kunnen het vertalen met: gelukkig of gezegend. Het is goed om te bedenken dat het woord ‘volk’ niet in de eerste plaats ‘natie’ betekent, maar zeker ook gewoon een groep mensen. En daarom betekent het verder: natie, krijgsvolk, bevolking.

En de ‘jubelroep’ is niet alleen maar feestgeroep, maar in het algemeen het geven van een teken; om op te trekken. Vandaar ook krijgsgeschreeuw, als sein om tot de aanval over te gaan. Het is verder het geluid van een naderende storm, wat je waakzaam maakt.

Als het een vreugdekreet is (op godsdienstige gronden), dan denken we aan een startsein, aan het elkaar mee nemen in de goede richting. De jubelroep is dus niet een gebeuren in een klein hoekje, maar dienstbaar aan de omgeving; een blij meenemen van de ander naar God toe.

Gelukkig, ja gezegend, zijn de mensen, die het startsein weten te geven om God groot te maken. Heel praktisch gezien gaat het dus om mensen die gezegend genoemd worden, omdat ze de ander altijd weer mee weten te nemen naar het geluk van het ‘van Hem’ mogen zijn. Zulke mensen wandelen in het licht van Gods aanschijn.

Het werkwoord ‘wandelen’ heeft ook zo’n rijke betekenis. Het heeft niets te maken met een gezellig wandelingetje in de zonneschijn op zondagmiddag… Het betekent vooral: je laten meenemen om vertrouwd te raken met degene met wie je onderweg bent. Daarom ook: behoren tot het gevolg van God, behoren tot degenen die achter Hem aan gaan. Daardoor raken we bekend op Zijn wegen. Zeventien keer wordt dit werkwoord in de Bijbel eveneens vertaald met: gemeenschap hebben met…

Het woord ‘licht’ betekent vooral ochtendlicht, dus begin van de dag. Wat zijn wij gezegende, gelukkige mensen als we de dag beginnen met voor Zijn aanschijn te zijn. Dit houdt in, dat we bij het ontwaken ons bewust zijn dat we onder de hoede van Hem willen zijn, onder Zijn toezicht. Dit houdt dan meteen in dat we tot Zijn beschikking willen zijn; vragend opzien naar Hem om, Hem volgend, te gaan verstaan wat Hij voor ons bedoelt.

Dan juichen we de hele dag, dus zonder ophouden. ‘Juichen’ betekent zoiets als jubelen, blij zijn, je verheugen. Dat is heel wat anders dan blij doen. De Bron van onze blijdschap mag zijn dat Christus onze Heer is; die de Naam boven alle naam ontvangen heeft, omdat Hij gehoorzaam is geweest tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis (Fil. 2:8,9).

Bij ons heeft een naam niet zo veel waarde als in de Bijbel. Dat komt omdat ‘naam’ in de Bijbel iets weergeeft van het wezen van de persoon, eigenlijk de persoon zelf. Als een jood het heeft over de Naam, dan bedoelt hij daarmee, heel eerbiedig, God Zelf. Het woord Naam betekent dan ook meer dan bij ons: faam, roem, aanzien. Ja, het wordt zelfs gebruikt voor een gedenkteken, een monument. Maar dan heel duidelijk niet voor een gebeuren, maar uitsluitend voor een persoon.

Gezegend en gelukkig zijn dus de mensen, die in alles erop gericht zijn om zich te verheugen in de grootheid van God, omdat zij in alles wat zij zien een gedenkteken zien van Gods grootheid. Zulke mensen worden door Gods gerechtigheid verhoogd: grootgebracht, opgevoed door de  rechtvaardiging, de redding die van God uitgaat.

Het ons heel de dag verheugen in de grootheid van God, doet ons dan groeien in Zijn genade, Zijn ‘gein’. Gein heeft echt iets te maken met de twinkellichtjes in de ogen van God, die je opmerkt, als je leert, bij alles wat je doet, naar Hem op te kijken, Hem te kennen op alle wegen die je gaat.

Bijbeltekst week 2018 – 31

Wij danken God altijd om u allen, wanneer wij u gedenken bij onze gebeden.

                                                                                           1 Thessalonicenzen 1:2

Als we de tafeltekst van deze week goed tot ons door laten dringen, dan vragen we ons af of deze tekst wel geschikt is als tafeltekst… Maar waarom zou niet juist als we aan tafel gaan een gelegenheid tot gebed zijn. Moet je je voorstellen wat Paulus hier eigenlijk zegt: Telkens als wij u gedenken in onze gebeden. Eigenlijk zegt hij letterlijk: U gedenkende in onze gebeden.

Allereerst iets over: onze gebeden. Voor ‘gebed’ worden in het Nieuwe Testament veel woorden gebruikt. Het meest komt voor een woord dat de betekenis heeft van: ontmoeting, samenspreking (met God). In zo’n gebed worden zaken duidelijker door Gods onderwijzingen.

Maar in onze tafeltekst wordt een woord gebruikt, waar het accent meer ligt op: het samen komen voor Gods aangezicht voor een bepaalde zaak, b.v.: Uw Koninkrijk kome. Het is zoiets als: samenkomen om iets aan God voor te leggen.

Dit woord wordt niet alleen vertaald met ‘gebed’ maar ook voor het aanduiden van de plaats die apart is gezet om te bidden Vaak een plaats in de open lucht, in ieder geval een stil plekje. Als in de Bijbel dit woord gebruikt wordt voor de Joden, die te gering in aantal waren om een echte Synagoge te bouwen, of waar de vrouwen graag apart samen kwamen voor gebed, dan wordt dat meestal vertaald met ‘gebedsplaats’.

Wij zouden ook een gelegenheid, een plek moeten hebben, waar we bewust samen komen (gezamenlijk, eendrachtig), om bepaalde belangrijke zaken aan God voor te leggen, voorbede te doen.

Paulus zegt dat, als zij, een groep gelovigen dus, bijeenkomen om God bepaalde zaken voor te leggen, om voorbede te doen, zij God ‘danken’. Wat beleven wij eigenlijk, als we God voor iemand of voor een groep mensen ‘danken’?

Het werkwoord dat Paulus hier gebruikt, beeldt een innige band uit: blij zijn met het feit dat we ons met elkaar verbonden weten in en door onze Heer. Het wonderlijke is dat dit niet inhoudt dat we blij zijn dat we zo veel aan elkaar hebben, maar dat we er voor elkaar mogen zíjn. Want dit werkwoord houdt ook in: de instelling om iemand in een gevaarlijke situatie te beschermen.

Nu zijn we, zoals de Bijbel ons leert, voortdurend in een gevaarlijke situatie, want Petrus zegt: Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. (1 Petrus 5:8) In dit besef willen zij daarom de Gemeente te Thessalonica ‘gedenken’. Dat betekent: tijd ervoor nemen om aan hen te denken, opmerkzaam te zijn, te waken over.

Paulus zegt hier dus zoiets als dat zij, telkens wanneer zij samen komen op een plaats van gebed, hun aandacht wijden aan, opmerkzaam zijn op de gemeente te Thessalonica. En dat zij dan een dankbaar gevoel krijgen dat God hen in de gelegenheid gesteld heeft om op de bres te staan voor deze mensen, hen voortdurend ‘de voeten te willen wassen’, zodat de boze geen vat op hen kan hebben.

Als we zo onze tafeltekst deze week biddend opzeggen, dan bidden we dus om een waakzame ziel voor elkaar en voor allen die allerwegen de Naam van onze Here Jezus aanroepen. Dan staan we open voor het ontvangen van een waakzaam priesterhart…

Bijbeltekst week 2018 – 30

Zie, Ik, de HERE, ben de God van al wat leeft; zou voor Mij iets te wonderlijk zijn?

                                                                                                                                Jeremia 32: 27

De tafeltekst van deze week begint met: ‘Zie’. In het Hebreeuws staat daar een aanwijzend voornaamwoord. Dit woord kan op veel manieren vertaald worden. Inderdaad het meest met ‘zie’. Maar het wordt ook vertaald met: ‘Zie, hier ben Ik’. Leuk om het even zo te vertalen: Zie, hier ben Ik, Ik, die er altijd voor jullie wil zijn, ben het hoogste gezag over alle vlees.. 

Maar dit Hebreeuwse woord, waar de tekst mee begint kan ook vertaald worden met: ‘zo, indien’. Dan wordt de vertaling: ‘Indien Ik, de HERE (Degene die er altijd voor jullie zal zijn), de God (hoogste gezag) ben over alle vlees, zou voor Mij dan iets te wonderlijk zijn?’

En dan nu het woord ‘wonderlijk’. In het algemeen wordt dit Hebreeuwse woord vertaald met ‘wonderlijk’, maar het is een werkwoord, dat vertaald kan worden met: ‘te moeilijk, onmogelijk lijken, iemands macht te boven gaan, moeilijk te doen zijn’. Hiermee wordt natuurlijk ook heel duidelijk betekenis gegeven aan ‘wonderlijk’. Want alles wat onze macht te boven gaat is wonderlijk!

Als we dit alles overdenken dan kunnen we onze tafeltekst dus ook zo vertalen: ‘Zie, hier ben Ik, Ik, Degene die er altijd voor jullie wil zijn (HERE), Ik ben het hoogste gezag (Elohiem) over alles wat vlees (tijdgebonden) is; zou er voor Mij iets kunnen zijn, dat Mijn macht te boven zou gaan (Ik niet zou kunnen volbrengen)?’

De tafeltekst van de komende week is Gods antwoord op het gebed van Jeremia, dat we heel beslist moeten lezen voor we aan onze tafeltekst gaan beginnen! Het gebed van Jeremia begint met vers 17: Ach, Here HERE, zie, Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt door uw grote kracht en uw uitgestrekte arm; niets zou te wonderlijk zijn voor U.

Jeremia twijfelt geen moment aan de almacht van God. Hoe dat komt? Omdat Jeremia’s leven bepaald wordt door het handelen van God. In zijn gebed tot God stelt hij zich al de daden van God voor ogen, vanaf de schepping tot op de dag van vandaag: vers 17 – 22. En dan komt de belijdenis van Jeremia voor het hele volk :(Jeremia 32:23) maar toen zij gekomen waren en het in bezit genomen hadden, hoorden zij niet naar uw stem en wandelden niet naar uw wet; zij deden niets van alles wat Gij hun geboden hadt te doen; daarom hebt Gij al deze rampspoed over hen gebracht. Zie, de wallen zijn tot aan de stad gekomen om die in te nemen, en de stad is gegeven in de macht van de Chaldeeën die tegen haar strijden, door het zwaard, de honger en de pest; ja, wat Gij gesproken hebt, is geschied; en zie, Gij aanschouwt het.

En terwijl alles geschied is, zoals God eertijds gesproken had (Deut.28 – 30), spreekt God tot Jeremia, die, terwijl heel Israël ontrouw werd, trouw is gebleven aan zijn God: (Jeremia 32:25) Toch hebt Gij zelf tot mij gezegd, Here HERE: Koop u de akker voor de prijs en laat het door getuigen bekrachtigen, terwijl de stad in de macht der Chaldeeën is gegeven!

Ja, God spreekt tot de zijnen, ook al staat de hele wereld met de rug naar God gekeerd; ook in deze tijd geldt dan dit troostvolle woord van de Eeuwige tot Jeremia, voor ons. Wat een zegen zal het zijn als we de komende week in deze gezindheid onze tafeltekst ‘nuttigen’!

Bijbeltekst week 2018 – 29

Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets niets doen.

                                                                                        Johannes 15:5

Wat een prachtige tekst voor deze week. Jezus vergelijkt Zich hier met een wijnstok en degenen die van Hem zijn met de ranken, om daarmee uit te drukken hoe nauw de relatie tussen Hem en ons moet zijn.

Even daarvoor heeft Hij dit beeld ook gebruikt, maar dan in relatie tot onze hemelse Vader: Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman.

Toch is het beeld dat Hij in het eerste vers gebruikt anders dan in het vijfde. In onze tafeltekst voor deze week splitst Hij de wijnstok op in de wortelstam en de ranken, maar in het eerste vers doelt Hij op de hele plant.

Het is goed om te luisteren naar wat Jezus in de eerste verzen zegt, willen we de tekst voor deze week beter begrijpen: Let op wat de Landman (onze hemelse Vader) doet. Hij bekijkt elke rank met grote aandacht. Als Hij ziet, dat er geen vruchten komen aan de rank, dan neemt Hij die tak weg, omdat deze tak niet beantwoordt aan het doel.

Want het gaat bij de Landman niet om de ranken maar om de vruchten. Daarom schenkt Hij alle aandacht aan de ranken die wel vrucht dragen.

Vanaf het eerste begin let Hij er op in vreugdevolle zorg, dat de vruchtbare ranken alles krijgen wat ze nodig hebben: lucht, zonlicht; en verder neemt Hij van deze vruchtbare ranken alles weg wat te veel is voor de volle ontwikkeling van de vruchten. Dan bloedt de rank misschien wel even en wellicht begrijpt de rank niet waarom die prachtige zijtakken worden afgeknipt…

Nu de tekst voor deze week: Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen. Hierin vertelt Jezus hoe het komt dat er takken zijn die veel vrucht dragen. Heel eenvoudig omdat een tak, die niet volledig en gezond met Hem verbonden is, nooit vrucht kan dragen. Er kunnen wel bloesems aan komen, heel veelbelovend, maar na de bloei blijft er niets over.

Zo kunnen ook wij geen vrucht dragen voor Jezus, als wij niet als een rank verbonden blijven met de wijnstok. Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, zo kunnen ook wij geen vrucht dragen voor het Koninkrijk, als het leven van Jezus niet door ons heen stroomt!

Als dit tot ons doordringt, wat zullen we dan, bij het lezen van de tekst van deze week, bereid worden om met vreugde en verwondering het snoeimes van de Landman, in ons leven van iedere dag, toe te laten. Omdat het snoeimes van Hem in ons leven een teken is, dat we echt met Jezus verbonden zijn, zoals de rank met de wijnstok. Daarom mogen we vol vertrouwen in de Landman, uitzien naar de vruchten, die heel zeker niet zullen uitblijven.

 

Bijbeltekst week 2018 – 28

Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.

                                                                      1 Johannes 1:9

De tafeltekst van deze week is uit het Nieuwe Testament, uit de eerste brief van Johannes. De apostel Johannes beklemtoont hier, dat Jezus getrouw en rechtvaardig is. Het woord ‘getrouw’ geeft uitdrukking aan een heel wezenlijke eigenschap van iemand, die in de praktijk van het leven getoond heeft trouw te zijn in het afhandelen van zaken.

Het is goed om bij het lezen van deze woorden er aan te denken, dat we nooit meer mogen twijfelen of Jezus bij machte is om onze zonden te vergeven. Hij heeft blijk gegeven daarin betrouwbaar te zijn en ‘rechtvaardig’, wat zeggen wil, dat Hij onberispelijk, schuldeloos is.

Jezus is het vlekkeloze Lam dat onze schuld heeft weggedragen. Dit woordje ‘rechtvaardig’ wordt tweeledig gebruikt. In spottende zin over iemand, die van zichzelf vindt dat hij rechtvaardig is, maar vooral in de mooie zin van: gebleken smetteloos te zijn. En dat is een prachtig beeld van Jezus, die dit niet van Zichzelf beweert, maar die, hoe meer we Hem leren kennen, blijkt onberispelijk te zijn. Dit tweeledig gebruik van een woord kennen wij ook in het Nederlands met het woord ‘vroom’. In spottende zin: doe niet zo vroom en in de goede zin: een werkelijk vroom man.

Jezus is dus betrouwbaar en onberispelijk, de enige autoriteit om onze zonden te vergeven. Er is slechts één voorwaarde aan verbonden: dat wij onze zonden belijden. Als de bijbel over ‘zonden’ spreekt, moeten we niet in de eerste plaats denken aan allerlei dingen die fout liepen, maar aan een levensinstelling die niet deugt.

Zonde betekent dat we geen deel hebben aan het plan dat God met Zijn schepping heeft, kortweg: het doel missen. Door deze verkeerde instelling lopen er allerlei dingen mis en worden we verontreinigd in ons denken en handelen. Zo zou je het laatste woord van onze tafeltekst, ongerechtigheid, het beste kunnen omschrijven.

De voorwaarde om vergeving te ontvangen is dus: belijden dat we niet op het doel gericht zijn, geen deel hebben aan het plan van God, en we een eigen gekozen weg zijn gegaan. Het woord ‘belijden’ vraagt ook wel even aandacht. De eigenlijke betekenis van dit woord is: hetzelfde zeggen als een ander, beamen, instemmen met de ander. Als we hier over nadenken dan beseffen we dat er pas sprake is van zonden belijden, als God tot ons gesproken heeft, als God ons hiervan overtuigd heeft. Als een christelijke moraal ons vertelt dat we verkeerd gehandeld hebben, dan kunnen we ons schuldig voelen, maar nooit merken we dan iets van bevrijding; het is de volgende keer weer hetzelfde…

Maar als God ons overtuigt, dat we een verkeerde gezindheid hebben en we daarom dit graag erkennen en beamen, dan pas is er sprake van vergeving.

Vergeven’ is een woord dat ten diepste betekent: wegzenden, laten varen, opgeven, uitademen. Als je lucht uitademt, kun je die niet meer inademen, tenzij je de uitgeademde lucht zorgvuldig in een zakje hebt uitgeblazen… Vergeving is pas echt als je beleeft, dat God de zonde(bok) wegzendt om nooit meer terug te laten keren. Daarom is er pas sprake van echte vergeving als we ‘amen’ zeggen op Gods spreken.

Dan is er verwondering om de bemoeiing van God met ons leven. Tot onze verbazing merken we dan hoe Jezus Zich omgordt om onze voeten te wassen, die vuil zijn geworden in het daadwerkelijk onderweg zijn in deze wereld, met Zijn gezindheid, met Zijn Geest in ons hart. En dat is dan ook de diepe betekenis van het laatste gedeelte van de tekst van deze week: “en ons te reinigen van alle ongerechtigheid”.

 

Bijbeltekst week 2018 – 27

HERE, des morgens hoort Gij mijn stem, des morgens leg ik het U voor, en zie uit.

Psalm 5:4

Wie denkt dat de tafeltekst van deze week een uitdrukking is van een verlangen om de dag altijd met God te beginnen, moet maar eerst de hele psalm aandachtig lezen. David is in nood, hij kan ‘s nachts niet slapen. Het is zoals het in de volgende psalm staat:

Psalm 6:7  Ik ben afgemat van mijn zuchten; elke nacht doorweek ik mijn sponde, doe ik mijn bed van tranen vloeien.

Maar David steekt zijn nood niet onder stoelen of banken; hij beschrijft zijn nood in een lied en geeft de opdracht aan het hele volk om dit lied, deze psalm, voor Gods aangezicht biddend te zingen: Psalm 5:1  Voor de koorleider. Bij fluitspel. Een psalm van David.

 

Wat de nood van David is staat duidelijk beschreven in deze verdere psalm:

5:  Want Gij zijt geen God, aan wie goddeloosheid behaagt, geen boze zal bij U vertoeven;

6:  de verdwaasden houden geen stand voor uw ogen, Gij haat alle bedrijvers van ongerechtigheid;

7:  Gij richt te gronde de leugensprekers, de HERE verafschuwt de man van bloed en bedrog

 

David weet wat de gezindheid is van de wereld die hem omringt, maar hij weet ook wat er gebeurt als God zich over de mens ontfermt:

8:  Maar ik zal, dank zij uw grote goedertierenheid, uw huis binnengaan, mij neder buigen naar uw heilige tempel in vreze voor U.

9:  HERE, leid mij door uw gerechtigheid om mijner belagers wil; effen uw weg voor mijn aangezicht

 

David heeft de nood van de wereld om zich heen voor ogen als hij onze (tafel)tekst uitspreekt voor Gods aangezicht.

Als wij bereid zijn om gedurende deze week in dezelfde gezindheid deze woorden voor Gods aangezicht uit te spreken, zal ons oog meer dan ooit hoopvol, verwachtingsvol gericht zijn op wat God – misschien wel door ons heen – zal gaan doen in de wereld om ons heen.

Hij wil dat wij betrokken willen zijn bij Zijn handelen in de wereld om ons heen, met een priesterlijk en bereidvaardig hart. Daarom mag, niet alleen deze week, maar iedere dag van ons leven zó bepaald zijn door: HERE, des morgens hoort Gij mijn stem, des morgens leg ik het U voor, en zie uit.

 

 

Bijbeltekst week 2018 – 26

Zo zegt de HERE: De wijze roeme niet op zijn wijsheid, en de sterke roeme niet op zijn kracht, de rijke roeme niet op zijn rijkdom, maar wie roemen wil, roeme hierin, dat hij verstaat en Mij kent.  

Jeremia 9: 23,24

De tekst van deze week begint met: Zo spreekt de HERE. Als we deze woorden goed willen verstaan, is het goed om de klemtoon te leggen op HERE. Dit houdt dan in dat God anders spreekt dan wíj gewend zijn te doen. Wij zouden zeggen: De wijze roeme in zijn wijsheid, etc..

Het werkwoord ‘roemen’ wordt ook wel gebruikt als ‘dwaas zijn’. Dat is ook wel begrijpelijk. Want we zien het mensdom steeds dwazer worden waar we roemen in en roemen op alles wat we zelf, zonder God, kunnen opbrengen: kennis, kracht en rijkdom. Hoe meer we daar op roemen, hoe dwazer we worden in de ogen van de overheden en machten in de hemelse gewesten . . .

Daarom zegt de HERE dan ook, dat we daar niet aan mee moeten doen. Maar als we dat niet doen, dan blijft er eigenlijk niets over wat waarde heeft in ons leven . . . tenzij we verder luisteren: maar wie roemen wil – wonderlijk dat dit ‘wil’ eigenlijk een uitnodiging is – hij roeme hierin dat hij verstaat . . .

Het werkwoord ‘verstaan’ betekent hier eigenlijk: zicht hebben op, aanschouwen, gericht zijn op (daarom is bij deze tekst gekozen voor de Statenvertaling).

Als we deze week deze woorden als tafeltekst lezen en opzeggen, dan worden we uitgenodigd om te beseffen dat echt roemen, zonder dwaas te worden, pas ontstaat als we, in alles wat we doen, gericht zijn op God. Het is dus eigenlijk hetzelfde als: Hem kennen in al onze wegen (Spreuken 3:6).

En als we zo God betrokken weten in alles wat we doen en bedenken, dan gaan we de werkelijkheid van God leren kennen. Zo worden we echt verlost van al onze eigen ‘godsbeelden’.

Wanneer we gericht zijn op God, Hem bij ons weten, dan raken we vertrouwd met Hem. Maar echt vertrouwd met God zijn we pas, als we ons ook zelf door God laten kennen. Wat machtig dat in het Hebreeuws dan ook voor ‘kennen’ het werkwoord staat dat we het beste kunnen vertalen met ‘wederzijds gekend zijn’.

Als we die vertrouwde omgang met God zoeken en leren kennen, dan gaan we in Hem roemen. En als we echt in Hem gaan roemen, meer en meer, ja, dan moeten we aanvaarden dat we ook steeds dwazer worden voor de wereld om ons heen, die dit geheimenis niet meer kent.

Zo zegt de HERE dus tegen ons, dat als wij gaan roemen in Hem, we steeds meer dwaze, maar gelukkige, vreemdelingen worden op aarde. ‘Huisgenoten Gods’ wordt dat ergens anders in de bijbel genoemd (Efeziërs 2:19, 20).

 

Bijbeltekst week 2018 – 25

En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus.

                                                                                                      Filippenzen 4:7

Deze tekst is een sluitstuk van wat daarvoor geschreven staat:  Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: verblijdt u! Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij. Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God.

We hebben alle reden om ons in Hem te verblijden: we zijn schoon gewassen in het bloed van het Lam. Laten we ons dus verheugen in Hem en … onder alle omstandigheden. Dan leven we waardig en gelukkig en is er geen enkele reden meer – zo die er ooit was – om niet vriendelijk te zijn voor alle mensen.

Het woord ‘vriendelijkheid’ kan ook vertaald worden met ‘mildheid’. Dat past hier wel beter. Want waar wij dieper mogen gaan beseffen wat het is om alleen uit genade te leven, daar wordt ons hart mild voor alle mensen om ons heen, ook als die dit geheimenis van Gods genade nog niet hebben leren kennen…

Onbezorgd en met een biddend hart mogen we dus altijd vooruit blikken. Onbevangen en gelukkig, mild en verwachtingsvol voor alle mensen om ons heen. Deze gezindheid is voorwaarde waardoor onze tafeltekst in vervulling kan gaan: alle dagen van ons leven.

Vandaar dat onze tafeltekst begint met het woordje ‘en’.  Ja, dan zal de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, die dus niet te bevatten is, onze harten en onze gedachten ‘behoeden’. Dit werkwoord ‘behoeden’ betekent eigenlijk: gewapend bewaken, beschermen door te bewaken.

De wapenen worden in de hierboven genoemde verzen genoemd. Maar al deze wapenen zijn pas krachtig, als we beseffen dat deze wapens er alleen maar zijn in het heel eenvoudig schuilen bij onze levende Here. Vandaar dat onze tafeltekst eindigt met dat waar het eigenlijk allemaal om gaat: in Christus Jezus!

Bijbeltekst week 2018 – 24

HERE, God van onze vaderen Abraham, Isaak en Israël, houd deze gezindheid in het hart van uw volk voor altijd in stand, en richt hun hart op U.          

                1 Kronieken 29:18

De tafeltekst is een stukje uit, misschien wel, het laatste gebed van koning David. Voor we deze tekst als tafeltekst gaan gebruiken, raden we aan om zeker de laatste twee hoofdstukken van 1 Kronieken te lezen. Want dan begrijpen we de grote dankbaarheid van de oude David veel beter. In de woorden vóór onze tafeltekst zegt koning David:  Ik weet, mijn God, dat Gij het hart toetst en een welbehagen hebt in oprechtheid; Ik heb in oprechtheid mijns harten U dit alles vrijwillig gegeven; nu heb ik met vreugde gezien, hoe ook uw volk dat zich hier bevindt, U vrijwillig gaven bracht (1Kron.29:17).

Hierbij gaat het ons vooral om de onderstreepte woorden. We lezen dat David van God niet zelf de Tempel mocht bouwen, omdat hij een krijgsman was geweest en bloed had vergoten (28:3), maar hij verlangde ernaar dat de oude tabernakel vervangen werd door een vaste woning, zoals Salomo de Tempel later noemde: voltooid heb ik de bouw van het huis U ter woning, een vaste plaats om daar eeuwig te wonen (1 Kon.8:13).

Koning David noemde de te bouwen Tempel een huis der rust: Toen stond koning David op en zeide: Hoort mij aan, mijn broeders en mijn volk. Ik zelf had het voornemen, een huis der rust te bouwen voor de ark van het verbond des HEREN en voor de voetbank van onze God; ik heb de bouw dan ook voorbereid (1 Kron.28:2).

Zoals we hier lezen heeft David de bouw dus voorbereid. En dan komen we bij 1 Kron.29:17 waar staat dat koning David met grote vreugde, in oprechtheid zijns harten, God dit alles vrijwillig had gegeven. Dit ‘vrijwillig geven’ is volkomen vrij van elke vorm van dwang, zo nodig moeten, vrij van elke vorm van opgelegde moraal.

Wat een zegen als we hier iets van gaan verstaan. Het heeft met spontane vreugde, met dankbaarheid te maken; dan weten we ook dat dát alleen waarde voor God heeft!

Als je deze gezindheid in je hart ervaart, dan ontstaat er zo’n onbeschrijfelijke vreugde, als je dezelfde gezindheid bij anderen gaat herkennen: nu heb ik met vreugde gezien, hoe ook uw volk dat zich hier bevindt, U vrijwillig gaven bracht.

Als deze hemel-vreugde je hart vervult, dan komt er ook zo’n priesterlijk gebed als bij David: houd deze gezindheid in het hart van uw volk voor altijd in stand.

Zo zijn we midden in onze tafeltekst terecht gekomen. Het is een gebed voor anderen, dat alleen kan ontstaan vanuit de verwondering en dankbaarheid, dat God iets tot stand heeft gebracht in jou en in de ander. Dan bid je dat God deze prachtige gezindheid in stand houdt. Want Hij alleen kan dit in stand houden. Dan wordt ons het begin van onze tafeltekst ook meteen duidelijk: HERE, God van onze vaderen Abraham, Isaak en Israël . . . .

Het woord ‘HERE’ is een eigen-naam, de haast onuitsprekelijke Naam van God: Ik ben die Ik ben, de eeuwig Onveranderlijke, eeuwig Getrouwe, Die er voor jou wil zijn, … De Naam die een vrome Jood niet durft uit te spreken, uit eerbied voor die Naam.

Dan volgt het woord ‘God’: Hij, Die het hoogste gezag draagt; er is niets en niemand achter Hem! Dit is de God van Abraham, Isaak en Israël; de aartsvaders. Van deze God zegt Jezus, bijna tweeduizend jaar later: Hij is niet een God van doden, maar van levenden (Mat.22:32).

Tot deze God, de Eeuwig onveranderlijke, bidt Koning David deze woorden: houd deze gezindheid in het hart van uw volk voor altijd in stand. En dan nog het vervolg van deze bede: en richt hun hart op U.

Wat is het belangrijk dat we met dit gebed ook onze jongeren dragen. David is zijn volk voorgegaan in het geven van ‘vrijwillige gaven’ voor een huis, waarvan God gezegd had dat hij zelf geen deel aan de bouw er van zou hebben. Maar zijn nageslacht, zijn zoon Salomo, zou dit huis voor God bouwen.

Wat een vreugde zou het ook voor ons zijn, als we zien hoe onze kinderen ons voorbeeld gaan volgen om – net als wij – God vrijwillig gaven te brengen. Dit ’vrijwillig gaven brengen’ is een werkwoord in het Hebreeuws dat, vooral in de tijdvorm waarin het in de tekst vóór onze tafeltekst staat, te vertalen is met: zich spontaan aanbieden.

De vreugde van David zal ook onze vreugde zijn als we zien hoe onze kinderen, meer nog dan wijzelf, onvoorwaardelijk, spontaan, vrijwillig zich aanbieden om zich te wijden, mee te bouwen aan het ‘Huis van God’.

Bijbeltekst week 2018 – 23

Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!

Filippenzen 4:4.

Ergens anders lezen we in de bijbel, dat blijdschap een vrucht is van de Heilige Geest: Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing (Gal.5:22).

Natuurlijk gaat het hier niet om blij doen, maar blij zijn. Het werkwoord ‘verblijden’, in de grondtekst, heeft een prachtige betekenis: zich verheugen, blij zijn, maar ook: het goed hebben, gedijen.

Het zijn een beetje verschillende betekenissen, maar die hebben toch wel veel met elkaar te maken. Want als we ons echt verheugen, dan zullen we het goed hebben, dan zullen we gedijen, ons gezond ontplooien. Veel ziekte is het gevolg van gebrek aan innerlijke vreugde.

Het gaat natuurlijk vooral om de innerlijke vreugde, vreugde die van binnenuit opborrelt, niet omdat het zo hoort, maar verrassend: een vrucht van de Geest dus. Die spontane vreugde zit ook als het ware opgesloten in dit Griekse werkwoord verblijden, want er is nóg een betekenis voor dit werkwoord: Hallo zeggen en groeten (bij de aanhef van een brief).

We zouden de tafeltekst van deze week dus ook anders kunnen zeggen: Zeg altijd ‘Hallo’ tegen de Here, wederom zal ik zeggen: doe de groeten. ‘Hallo’ zeg je tegen iemand bij een ontmoeting . . .

Als we de tekst opzeggen, dan is het goed om je af te vragen of je de Here al tegen bent gekomen, deze dag. En niet alleen tegen gekomen – we mogen immers Zijn aanwezigheid altijd veronderstellen – maar ook gegroet, ‘Hallo’ tegen Hem gezegd.

Om het een beetje bijbelser te zeggen: ‘Ken Hem in al je wegen’, want als je dat doet, dan springt je hart op van spontane blijdschap. Dit geeft doel en zin aan al je denken en doen van iedere dag.

De tafeltekst voor deze week is niet zo moeilijk om met elkaar op te zeggen. Het is heel wat anders als we deze oproep serieus willen nemen!

Verblijdt u! is dus de opdracht. En dat niet alleen voor deze week, het is een opdracht voor heel ons leven.

 

 

Tafeltekst week 2016 – 22

Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.

                                                                                                                                                     Jak.1:12

Het gaat in de tafeltekst van deze week vooral om het laatste gedeelte: hij zal de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. De ‘kroon des levens’ is een term, die bekend was bij alle mensen, in de tijd dat Jakobus dit schreef. Net zoals bij ons voetbaltermen bekend zijn. En dan gaat het vooral om het woord ‘kroon’. Dat woord kunnen we vertalen als ‘lauwerkrans’. De lauwerkrans werd gegeven als prijs aan degene, die in de spelen de overwinning had behaald.

Het begrip ‘kroon des levens’ krijgt een diepere inhoud dan dit, doordat het woord ‘leven’ te maken heeft met de toestand van iemand die levenskracht heeft, of van iemand die bezield is. Deze lauwerkrans wordt dus niet gegeven aan iemand, die iets gepresteerd heeft, maar aan iemand die bezield is. Natuurlijk moet iemand die er naar streeft om de ‘lauwerkrans’ te behalen bezield zijn! Maar de bezieling waar de apostel Jakobus het over heeft is de liefdes-bezieling! De apostel zegt hier dus, dat degene die vol van liefde is voor de Heer, bekroond wordt met een ongekende, boven alles en allen uittillende levenskracht.

Deze bekroning wordt door de Here gegeven, niet aan degene die zich heeft ingespannen om tot dit resultaat te komen, maar aan degene, die zich heeft laten vormen in Zijn handen. Deze vorming is zwaar. Te zwaar zelfs! Tenzij wij Jezus liefhebben boven alles. De liefde voor Hem maakt het onmogelijke mogelijk! Als we Hem echt liefhebben gaan we dit ervaren: (Lukas 18:27) Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.

In de praktijk van het leven blijkt heel duidelijk dat alleen als we Hem gaan liefhebben, deze vorming werkelijkheid wordt. Zonder werkelijke liefde voor Jezus blijkt er geen basis voor deze vorming te zijn . . . Dit verklaart de wonderlijke ervaring dat het leven er beslist niet eenvoudiger op wordt, als we Jezus gaan lief krijgen.

Het eerste gedeelte van onze tafeltekst wordt nu duidelijker, als we er iets aan toevoegen: Zalig is de man, die in verzoeking (in de liefde tot Hem) volhardt. Als de liefde tot Hem in de ‘verzoeking’ vervaagt, dan is er geen kracht om te volharden.

Wat moeten we onder het woord ‘verzoeking’ verstaan? Het woord dat hier gebruikt wordt, komt van een werkwoord dat de betekenis heeft van: uitproberen, beproeven. We kunnen het woord ‘verzoeking’ het best omschrijven met: tegenspoed, verdriet en moeite, door God gezonden, om iemands karakter, geloof en heiligheid op de proef te stellen, beter nog: om iemands karakter, geloof en heiligheid te vormen.

Wie in de ‘verzoeking’ niet gericht blijft op Hem, die ons hierin vormen wil tot werkelijke hemelburgers, tot huisgenoten Gods, tot medearbeiders van Christus (Filippenzen 3:20; 1 Corinthe 3:9; Efeze 2:19) merkt niets meer van Zijn rijke belofte: (1 Corinthe 10:13Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.

Wie hierin niet gericht blijft op Hem, vervalt in christendommelijkheid. Maar wie in deze ‘vorming’ wel gericht blijft op Hem: Zalig is d(i)e man! ‘Zalig’ betekent: Gelukkig, voorspoedig. En het woord ‘man’ kunnen we, omdat het hier in z’n algemeenheid wordt gebruikt, natuurlijk vertalen met zowel ‘man’ als ‘vrouw’. Beter had hier dus kunnen staan: Gelukkig en voorspoedig is de mens . . .

Het woord ‘volharden’ heeft niets verbetens in zich. Het betekent eenvoudig: dezelfde blijven, niet iets anders worden. Jakobus zegt dus in onze tafeltekst dat, als we in de vorming die God ons in ons leven geeft, op Hem gericht blijven, dat we dan niet zullen wegglijden, als een hond tot z’n eigen uitbraaksel, maar voorspoedig en gelukkig zullen zijn! En de reden/oorzaak van dit voorspoedig en gelukkig zijn is hierin gelegen, dat we Hem liefhebben boven alles. Want als we Hem liefhebben boven alles en allen, dan zal Hij ons kronen met een hemelse levenskracht. Hij heeft dat beloofd!! Het woord ‘beloven’ betekent: zich vrijwillig (onvoorwaardelijk) aan iets binden.

Tot besluit een tekst die hier zeker bij past: Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedeling des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods (2 Corinthe 7:1). En laten we dus daarbij vooral beseffen dat dit: laten wij ons reinigen, alleen maar mogelijk is als we, bezield door de liefde tot Jezus, ons overgeven, toevertrouwen aan de vorming waar onze tafeltekst voor deze week zo vreugdevol over spreekt!

 

 

Tafeltekst week 2016- 21

Nu wij zulk een verwachting hebben, treden wij met volle vrijmoedigheid op.

2 Cor. 3:12

De tafeltekst voor deze week is kort maar krachtig. Om deze tekst met overgave op te kunnen zeggen, moeten we wel heel aandachtig lezen wat daarvoor geschreven staat: 2 Cor. 3:5,6  Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk, die ons ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet der letter, maar des Geestes, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Cor. 3:9-11  Want indien de bediening, die veroordeling brengt, heerlijkheid was, veel meer is de bediening, die rechtvaardigheid brengt, overvloedig in heerlijkheid. Immers, zelfs hetgeen verheerlijkt was, is in zoverre niet verheerlijkt, als déze heerlijkheid het te boven gaat. Want als het verdwijnende met heerlijkheid gepaard ging, veel meer is dan het blijvende in heerlijkheid.

In onze tafeltekst wordt gesproken over: ‘met volle vrijmoedigheid optreden’. Het woord ‘vrijmoedigheid’ heeft de grondbetekenis van: onomwonden zich uiten over alles. En het werkwoord ‘optreden’ heeft de betekenis van: hanteren, van iets gebruikmaken. Er is hier dus sprake van een graag gebruik willen maken van elke gelegenheid om onomwonden zich bloot te geven, zich te uiten.

Waarover willen we ons uiten? Over de verwachting die wij hebben, zegt onze tafeltekst. Het werkwoord ‘verwachten’, dat de basis vormt voor het woord ‘verwachting’ in onze tekst, heeft de betekenis van ‘met genoegen verwachten’. Onze ‘verwachting’ is een gelukkige verwachting vol hoop…

Wat een heerlijke opdracht hebben we dus om midden in deze wereld van verwarring en uitzichtloosheid, in alle vrijmoedigheid ons onomwonden bloot te geven, omdat wij een gelukkige verwachting hebben, vol hoop! Waar is deze vreugdevolle verwachting op gebaseerd? Daarvoor moeten we de voorgaande teksten aandachtig door lezen.

We hebben de opdracht gekregen om ‘dienaren te zijn van een Nieuw Verbond’ (vers 6). Wat is het kenmerk van het nieuwe verbond?  Heel duidelijk komt dat naar voren in het boek Ezechiël, hoofdstuk 11:19  Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste, en Ik zal het hart van steen uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven. Maar er zijn heel veel meer passages, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, die hier over spreken. Zoals Jer.3:17; 31:31; Ezech.11:19; 36:22‑36; Luk.22:20; 2 Cor.3:6; Hebr.7:22; 8:8, 139:15; 12:24. Allemaal meer dan de moeite waard om ze met een biddend hart te lezen. Want dan dringt het kenmerkende verschil met het Oude Verbond, het toegevoegde Verbond, zoals Paulus dit noemt, tot ons door: Gal. 3:19 Waartoe dient dan de wet(sbedeling)? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg, en zij is op last van [God] door engelen in de hand van een middelaar gegeven.

Dit nieuwe verbond, waarvan wij de dienaren moeten zijn, sluit God niet alleen met ons, maar door het volbrachte werk van Christus, met de hele wereld! Met Jood en heiden: Jer.3:17; Rom.15:8‑12; Ef.2:11‑22. En dit nieuwe verbond is niet naar de letter, maar naar de Geest, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend, zegt het voorgaande gedeelte van onze tafeltekst.

Dit houdt in, dat we de wereld om ons heen niet moeten ‘beleren’ maar ‘voorleven’! Het mag van ons afstralen in alle openheid en onbaatzuchtige liefde, omdat we weten dat Jezus Christus een verzoening is voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld. 1 Joh. 2:2. Dit is de boodschap die mag uitstralen naar de wereld om ons heen!

Wat een wonder dat wij dienaren mogen zijn van dit nieuwe verbond, dat eeuwig is, voor ons, voor de Jood en voor de Islamiet en alle anderen!

Als we deze week onze tafeltekst biddend opzeggen, doordrongen van dit alles, dan zullen we ontdekken hoe we, onder de zalving van Gods Geest waardige, vrijmoedige dienaren zullen zijn van dit Nieuwe Verbond.

 

Tafeltekst week 2016 – 20

…, opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht van God.

1 Cor. 2:5

Eigenlijk is deze tekst niet te begrijpen zonder het voorgaande. Het begint dan ook met ‘opdat’. Wat een geheimenis ligt er in de voorgaande teksten. Paulus, een ‘Schriftgeleerde’, heeft ontdekt, dat al zijn studie hem niet dichter bij God heeft gebracht; hij had het zelf ervaren dat geen mens door studie dichter bij God kan komen. Maar Paulus heeft nog meer ontdekt: dat je ook de ander door ‘studie’ geen stap dichter bij God kunt brengen. Paulus, de Schriftgeleerde, heeft God pas leren kennen, toen God hem tegenkwam. Die ontmoeting was beslist niet ‘christelijk’. God sloeg hem met blindheid, niet om Paulus te straffen, maar om Paulus radicaal te stoppen in al zijn religieuze ijver.

Wat is het belangrijk om dit tot ons te laten doordringen. En wat is het nodig voor ons om te beseffen dat we beslist niet beter zijn dan Paulus. Ook wij staan onze naasten in de weg om God werkelijk te leren kennen, als we denken dat een vertrouwen op inzichten en verworven kennis óver God de ander tot geloof kan brengen…

Paulus was een gezien man in Jeruzalem, want hij had gestudeerd bij een groot geleerde: Handelingen 22:3 Ik ben een Jood, te Tarsus in Cilicië geboren, doch in deze stad opgevoed, aan de voeten van Gamaliël opgeleid met nauwgezette inachtneming van de wet onzer vaderen, een ijveraar voor God. Maar Paulus was door de openbaring van God in zijn leven tot een ander mens geworden. Dat was zo ingrijpend geweest dat hij zijn naam ‘Saulus’ veranderde in ‘Paulus’. In volle overtuiging verwierp hij al zijn verworven kennis over God: Filip. 3:7  Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht.

En in zijn opdracht om mensen bij God te brengen, wist hij dat hij alleen maar schade zou toebrengen aan mensen als hij met schittering van woorden of wijsheid het getuigenis van God zou komen brengen (1 Cor.2:1). Hier is het woord ‘wijsheid’ onderstreept, omdat Paulus hier hetzelfde woord gebruikt als in onze tafeltekst. Dit woord ‘wijsheid’ heeft met ‘scholing’ te maken. Het is een wijsheid die je verwerven kan. Paulus noemt dit hier ‘wijsheid van mensen’. Deze ‘wijsheid van mensen’ is een vijand van God. Met deze wijsheid kun je het in deze tijdgebonden wereld ver schoppen, maar het brengt je geen stap dichter bij God!

Paulus wilde geen mis-leider zijn maar een dienstknecht van God. In zijn brief aan de Filippenzen zegt hij onomwonden: Filip. 3:8,9  Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijs gegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof.

Als we ons afvragen waarom ons leven nog onvruchtbaar is voor God, dan kan onze tafeltekst ons zeker helpen, als we ons ernstig durven af te vragen waar ons geloof nu eigenlijk op gebaseerd is. Is ons geloof gebaseerd op een eigen gerechtigheid, uit de wet, zoals Paulus het noemde?

Dit is de brandende vraag die in deze tafeltekst op ons af komt: Waar ‘rust’ ons geloof op? Dit woord ‘rusten’ kunnen we ook vertalen met ‘bestaan uit’. Waar bestaat ons geloof uit? Is dat gebaseerd op ‘scholing’ door de ‘wijsheid der mensen’? Dan wordt het tijd dat we daar net zo radicaal mee breken als Paulus. Want het is juist dit aangeleerde geloof wat de openbaring van God in de weg staat.

Paulus, onderweg naar Damascus, was echt niet zo zelfverzekerd als hij er uitzag (Handelingen 22), want hij was getuige geweest bij de steniging van Stefanus…  Dit sterven van Stefanus was tot een ‘spreken van God’ geworden voor Saulus, waardoor hij een ontmoeting met God kon hebben, wat hem tot een nieuwe schepping maakte. De ‘stoere’, zelfverzekerde Saulus werd tot een diep afhankelijke Paulus, die er naar verlangde om in zwakheid te leren roemen, opdat de kracht van Christus zich in hem aan de ander kon openbaren. Dit heeft het leven van Paulus vruchtbaar gemaakt voor het Koninkrijk van God.

Wat een tafeltekst voor deze week. Weg dus met alle ‘wijsheid van mensen’. Laten we deze week, en ons hele verdere leven, bidden om de ‘kracht’ van God, die zich openbaart in een leven dat graag wil roemen in zwakheid om alleen nog maar van Hem te zijn!

 

Tafeltekst week 2016 – 39

Wij danken God altijd om u allen, wanneer wij u gedenken bij onze gebeden.

1 Thessalonicenzen1:2

Als we de tafeltekst van deze week goed tot ons door laten dringen, dan vragen we ons af of deze tekst wel geschikt is als tafeltekst…. Maar waarom zou niet juist als we aan tafel gaan een gelegenheid tot gebed zijn. Moet je je voorstellen wat Paulus hier eigenlijk zegt: Telkens als wij u gedenken in onze gebeden. Eigenlijk zegt hij letterlijk: U gedenkende in onze gebeden.

Allereerst iets over: onze gebeden. Voor ‘gebed’ worden in het Nieuwe Testament veel woorden gebruikt. Het meest komt voor een woord dat de betekenis heeft van: ontmoeting, samenspreking (met God). In zo’n gebed worden zaken duidelijker door Gods onderwijzingen.

Maar in onze tafeltekst wordt een woord gebruikt waar het accent meer ligt op: het samen komen voor Gods aangezicht voor een bepaalde zaak, bijv.: Uw Koninkrijk kome. Het is zoiets als: samenkomen om iets aan God voor te leggen. Dit woord wordt niet alleen vertaald met ‘gebed’ maar ook voor het aanduiden van de plaats die apart is gezet om te bidden. Vaak een plaats in de open lucht, in ieder geval een stil plekje. Als in de Bijbel dit woord gebruikt wordt voor de Joden, die te gering in aantal waren om een echte Synagoge te bouwen, of waar de vrouwen graag apart samen kwamen voor gebed, dan wordt dat meestal vertaald met ‘gebedsplaats’.

Wij zouden ook een gelegenheid, een plek moeten hebben, waar we bewust samen komen (gezamenlijk, eendrachtig), om bepaalde belangrijke zaken aan God voor te leggen, voorbede te doen. Paulus zegt dat, als zij, een groep gelovigen dus, bijeenkomen om God bepaalde zaken voor te leggen, om voorbede te doen, zij God ‘danken’.

Wat beleven wij eigenlijk, als we God voor iemand of voor een groep mensen ‘danken’? Het werkwoord dat Paulus hier gebruikt beeldt een innige band uit: blij zijn met het feit dat we ons met elkaar verbonden weten in en door onze Heer. Het wonderlijke is dat dit niet inhoudt dat we blij zijn dat we zo veel aan elkaar hebben, maar dat we er voor elkaar mogen zíjn. Want dit werkwoord houdt ook in: de instelling om iemand in een gevaarlijke situatie te beschermen.

Nu zijn we, zoals de Bijbel ons leert, voortdurend in een gevaarlijke situatie, want Petrus zegt: 1 Petrus 5:8  Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. In dit besef willen zij daarom de Gemeente te Thessalonica ‘gedenken’. Dat betekent: tijd ervoor nemen om aan hen te denken, opmerkzaam te zijn, te waken over.

Paulus zegt hier dus zoiets als dat zij, telkens wanneer zij samen komen op een plaats van gebed, hun aandacht wijden aan, opmerkzaam zijn op de gemeente te Thessalonica. En dat zij dan een dankbaar gevoel krijgen dat God hen in de gelegenheid gesteld heeft om op de bres te staan voor deze mensen, hen voortdurend ‘de voeten te willen wassen’, zodat de boze geen vat op hen kan hebben.

Als we zo onze tafeltekst deze week biddend opzeggen, dan bidden we dus om een waakzame ziel voor elkaar, en voor allen die allerwegen de Naam van onze Here Jezus aanroepen. Dan staan we open voor het ontvangen van een waakzaam priesterhart…

Tafeltekst week 2016 – 38

Wij danken God altijd om u allen, wanneer wij u gedenken bij onze gebeden.

1 Thessalonicenzen1:2

Als we de tafeltekst van deze week goed tot ons door laten dringen, dan vragen we ons af of deze tekst wel geschikt is als tafeltekst…. Maar waarom zou niet juist als we aan tafel gaan een gelegenheid tot gebed zijn. Moet je je voorstellen wat Paulus hier eigenlijk zegt: Telkens als wij u gedenken in onze gebeden. Eigenlijk zegt hij letterlijk: U gedenkende in onze gebeden.

Allereerst iets over: onze gebeden. Voor ‘gebed’ worden in het Nieuwe Testament veel woorden gebruikt. Het meest komt voor een woord dat de betekenis heeft van: ontmoeting, samenspreking (met God). In zo’n gebed worden zaken duidelijker door Gods onderwijzingen.

Maar in onze tafeltekst wordt een woord gebruikt waar het accent meer ligt op: het samen komen voor Gods aangezicht voor een bepaalde zaak, bijv.: Uw Koninkrijk kome. Het is zoiets als: samenkomen om iets aan God voor te leggen. Dit woord wordt niet alleen vertaald met ‘gebed’ maar ook voor het aanduiden van de plaats die apart is gezet om te bidden. Vaak een plaats in de open lucht, in ieder geval een stil plekje. Als in de Bijbel dit woord gebruikt wordt voor de Joden, die te gering in aantal waren om een echte Synagoge te bouwen, of waar de vrouwen graag apart samen kwamen voor gebed, dan wordt dat meestal vertaald met ‘gebedsplaats’.

Wij zouden ook een gelegenheid, een plek moeten hebben, waar we bewust samen komen (gezamenlijk, eendrachtig), om bepaalde belangrijke zaken aan God voor te leggen, voorbede te doen. Paulus zegt dat, als zij, een groep gelovigen dus, bijeenkomen om God bepaalde zaken voor te leggen, om voorbede te doen, zij God ‘danken’.

Wat beleven wij eigenlijk, als we God voor iemand of voor een groep mensen ‘danken’? Het werkwoord dat Paulus hier gebruikt beeldt een innige band uit: blij zijn met het feit dat we ons met elkaar verbonden weten in en door onze Heer. Het wonderlijke is dat dit niet inhoudt dat we blij zijn dat we zo veel aan elkaar hebben, maar dat we er voor elkaar mogen zíjn. Want dit werkwoord houdt ook in: de instelling om iemand in een gevaarlijke situatie te beschermen.

Nu zijn we, zoals de Bijbel ons leert, voortdurend in een gevaarlijke situatie, want Petrus zegt: 1 Petrus 5:8  Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. In dit besef willen zij daarom de Gemeente te Thessalonica ‘gedenken’. Dat betekent: tijd ervoor nemen om aan hen te denken, opmerkzaam te zijn, te waken over.

Paulus zegt hier dus zoiets als dat zij, telkens wanneer zij samen komen op een plaats van gebed, hun aandacht wijden aan, opmerkzaam zijn op de gemeente te Thessalonica. En dat zij dan een dankbaar gevoel krijgen dat God hen in de gelegenheid gesteld heeft om op de bres te staan voor deze mensen, hen voortdurend ‘de voeten te willen wassen’, zodat de boze geen vat op hen kan hebben.

Als we zo onze tafeltekst deze week biddend opzeggen, dan bidden we dus om een waakzame ziel voor elkaar, en voor allen die allerwegen de Naam van onze Here Jezus aanroepen. Dan staan we open voor het ontvangen van een waakzaam priesterhart…

 

Tafeltekst week 2016 – 37

De wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.

1 Johannes 2:17

Door de schokkende gebeurtenissen in de wereld moet de tekst van deze week ons wel bijzonder aanspreken! De duisternis slaat steeds harder toe, meedogenloze terreur vernietigt levens in één klap… Angst grijpt ons allen aan: waar gaat het toch heen?!

Hoe indrukwekkend staat onze tafeltekst hier tegenover: De wereld gaat voorbij. Of onderstrepen deze woorden juist het actuele gebeuren? De ondergang van onze beschaving staat voor de deur. Wat een rust geven deze woorden van de apostel Johannes, als we beseffen dat hij dit tweeduizend jaar geleden schreef. Waar zal hij aan gedacht hebben toen hij deze woorden schreef, wat zal hij hebben gezien?

Veel belangrijker is het voor ons om te mogen verstaan, wat God ons nu wil zeggen als we deze tweeduizend jaar oude woorden tot ons laten doordringen, als we ze biddend opzeggen.Als Johannes het over de ‘wereld’ heeft, dan gebruikt hij het Griekse woord ‘kosmos’. Dit kan hier vertaald worden met: de mensheid. Maar ook, zoals het woordenboek ons vertelt, met: het geheel van aardse goederen, rijkdommen, voordelen, genietingen, enz. Hoewel deze aardse goederen in feite hol, zwak en voorbijgaand zijn, wekken ze het begeren op, leiden van God af en zijn hinderpalen voor de zaak van Christus.

Deze laatste uitleg van het woord ‘kosmos’ willen we graag onderstrepen. Voor ons betekenen de woorden van Johannes dat al het ‘tijdgebondene’, wat ons zo verschrikkelijk van de zaak van Christus afleidt, voorbij gaat. Je zou dit ‘voorbij gaan’ ook kunnen vertalen met: er aan voorbij gaan, misleiden of verleiden.

Als Mozes aan Israël Gods geboden geeft, dan leert hij hun ook: “gij zult niet begeren”… We weten allemaal in ons leven wat een macht het ‘begeren’ heeft. Maar we mogen ook merken dat, in de groeiende liefde van en voor Jezus, het begeren, in welke vorm dan ook, wegsmelt als sneeuw voor de zon. Alleen als we dit wonder ervaren in ons eigen leven, gaan we verstaan wat Johannes tijdloos bedoelde met: En de wereld gaat voorbij en haar begeren.

Dit is een heilig verstaan van de woorden van God. Het geheimenis, om tot dit verstaan te komen, staat in het vervolg: maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid. Helaas blijft voor velen dit geheimenis een verborgenheid. Want: wat zal Johannes bedoeld hebben met: de wil van God doen?

Allereerst: wat is de wil van God?

In het Griekse woordenboek vinden we o.a. als vertaling van dit woord:

1) wat iemand wenst of besloten heeft te doen

1b) wat God verlangt dat door ons gedaan moet worden…

Wat prachtig dat er niet staat: wat God eist dat door ons gedaan moet worden… Alleen in de innige wandel met de Here, gaan we iets verstaan van dat diepe, respectvolle verlangen van God. Het is dus uit liefde tot Hem dat we gaan wensen, en uiteindelijk zelfs besluiten, om te GAAN DOEN wat Hij verlangt dat we zullen doen.

Dit is het werk van Gods Geest aan de harten van mensen die naar God Zelf vragen. Zo kan God verloren mensen maken tot hemelburgers. En het hoeft toch echt geen uitleg, dat hemelburgers tot in eeuwigheid ‘blijven’: aanwezig blijven, voortdurend vastgehouden worden.

 

 

Tafeltekst week 2016 – 36

Welzalig het volk dat de jubelroep kent, zij wandelen, HERE, in het licht van uw aanschijn; in uw naam juichen zij de ganse dag, en door uw gerechtigheid worden zij verhoogd.

Psalm 89:16 en 17

Wat een heerlijke tekst, deze week! Als je het met elkaar opzegt, dan jubelt en danst het in je hart. En het mag doordansen en jubelen, al de uren van de dag! Het woord ‘welzalig’ is ietwat ouderwets, past niet meer in ons taalgebruik. We kunnen het vertalen met: gelukkig of gezegend.

Het is goed om te bedenken dat het woord volk niet in de eerste plaats ‘natie’ betekent, maar zeker eveneens gewoon een groep mensen en daarom betekent het verder: natie, krijgsvolk, bevolking.

En de jubelroep is niet alleen maar feestgeroep, maar in het algemeen het geven van een teken; om op te trekken. Vandaar ook krijgsgeschreeuw, als sein om tot de aanval over te gaan. Het is verder het geluid van een naderende storm, wat je waakzaam maakt. Als het een vreugdekreet is (op godsdienstige gronden), dan denken we aan een startsein, aan het elkaar mee nemen in de goede richting. De jubelroep is dus niet een gebeuren in een klein hoekje, maar dienstbaar aan de omgeving; een blij meenemen van de ander naar God toe.

Gelukkig, ja gezegend zijn de mensen, die het startsein weten te geven om God groot te maken. Heel praktisch gezien gaat het dus om mensen die gezegend genoemd worden, omdat ze de ander altijd weer mee weten te nemen naar het geluk van het ‘van Hem’ mogen zijn. Zulke mensen wandelen in het licht van Gods aanschijn.

Het werkwoord wandelen heeft ook zo’n rijke betekenis. Het heeft niets te maken met een gezellig wandelingetje in de zonneschijn op zondagmiddag… Het betekent vooral: je laten meenemen om vertrouwd te raken met degene met wie je onderweg bent. Daarom ook: behoren tot het gevolg van God, behoren tot degenen die achter Hem aan gaan. Daardoor raken we bekend op Zijn wegen. Zeventien keer wordt dit werkwoord in de Bijbel eveneens vertaald met: gemeenschap hebben met…

Het woord ‘licht’ betekent vooral ochtendlicht, dus begin van de dag. Wat zijn wij gezegende, gelukkige mensen als we de dag beginnen met voor Zijn aanschijn te zijn. Dit houdt in, dat we bij het ontwaken ons bewust zijn dat we onder de hoede van Hem willen zijn, onder Zijn toezicht. Maar dat houdt dan meteen in, dat we tot Zijn beschikking willen zijn; vragend opzien naar Hem om, Hem volgend, te gaan verstaan wat Hij voor ons bedoelt. Dan juichen we de ganse dag, dus zonder ophouden.

Juichen betekent zoiets als jubelen, blij zijn, je verheugen. Dat is heel wat anders dan blij doen. De Bron van onze blijdschap mag zijn dat Christus onze Heer is, die de Naam boven alle naam ontvangen heeft, omdat Hij gehoorzaam is geweest tot de dood, ja, tot de dood aan het kruis (Fil 2:8,9). Bij ons heeft een naam niet zo veel waarde als in de Bijbel. Dat komt omdat ‘naam’ in de Bijbel iets weergeeft van het wezen van de persoon, eigenlijk de persoon zelf. Als een jood het heeft over de Naam, dat bedoelt hij daarmee, heel eerbiedig, God Zelf. Het woord Naam betekent dan ook meer dan bij ons: faam, roem, aanzien. Ja, het wordt zelfs gebruikt voor een gedenkteken, een monument. Maar dan heel duidelijk niet voor een gebeuren, maar uitsluitend voor een persoon.

Gezegend en gelukkig zijn dus de mensen, die in alles erop gericht zijn om zich te verheugen in de grootheid van God, omdat zij in alles wat zij zien een gedenkteken zien van Gods grootheid. Zulke mensen worden door Gods gerechtigheid verhoogd: zij worden verhoogd, grootgebracht, opgevoed door de  rechtvaardiging, de redding die van God uitgaat.

Het ons heel de dag verheugen in de grootheid van God, doet ons dan groeien in Zijn genade, Zijn ‘gein’. Gein heeft echt iets te maken met de twinkellichtjes in de ogen van God, die je opmerkt, als je leert, bij alles wat je doet, naar Hem op te kijken, Hem te kennen op alle wegen die je gaat.

 

Tafeltekst week 2016 – 35

Wij danken God altijd om u allen, wanneer wij u gedenken bij onze gebeden.

1 Thessalonicenzen1:2

Als we de tafeltekst van deze week goed tot ons door laten dringen, dan vragen we ons af of deze tekst wel geschikt is als tafeltekst…. Maar waarom zou niet juist als we aan tafel gaan een gelegenheid tot gebed zijn. Moet je je voorstellen wat Paulus hier eigenlijk zegt: Telkens als wij u gedenken in onze gebeden. Eigenlijk zegt hij letterlijk: U gedenkende in onze gebeden.

Allereerst iets over: onze gebeden. Voor ‘gebed’ worden in het Nieuwe Testament veel woorden gebruikt. Het meest komt voor een woord dat de betekenis heeft van: ontmoeting, samenspreking (met God). In zo’n gebed worden zaken duidelijker door Gods onderwijzingen.

Maar in onze tafeltekst wordt een woord gebruikt waar het accent meer ligt op: het samen komen voor Gods aangezicht voor een bepaalde zaak, bijv.: Uw Koninkrijk kome. Het is zoiets als: samenkomen om iets aan God voor te leggen. Dit woord wordt niet alleen vertaald met ‘gebed’ maar ook voor het aanduiden van de plaats die apart is gezet om te bidden. Vaak een plaats in de open lucht, in ieder geval een stil plekje. Als in de Bijbel dit woord gebruikt wordt voor de Joden, die te gering in aantal waren om een echte Synagoge te bouwen, of waar de vrouwen graag apart samen kwamen voor gebed, dan wordt dat meestal vertaald met ‘gebedsplaats’.

Wij zouden ook een gelegenheid, een plek moeten hebben, waar we bewust samen komen (gezamenlijk, eendrachtig), om bepaalde belangrijke zaken aan God voor te leggen, voorbede te doen. Paulus zegt dat, als zij, een groep gelovigen dus, bijeenkomen om God bepaalde zaken voor te leggen, om voorbede te doen, zij God ‘danken’.

Wat beleven wij eigenlijk, als we God voor iemand of voor een groep mensen ‘danken’? Het werkwoord dat Paulus hier gebruikt beeldt een innige band uit: blij zijn met het feit dat we ons met elkaar verbonden weten in en door onze Heer. Het wonderlijke is dat dit niet inhoudt dat we blij zijn dat we zo veel aan elkaar hebben, maar dat we er voor elkaar mogen zíjn. Want dit werkwoord houdt ook in: de instelling om iemand in een gevaarlijke situatie te beschermen.

Nu zijn we, zoals de Bijbel ons leert, voortdurend in een gevaarlijke situatie, want Petrus zegt: 1 Petrus 5:8  Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. In dit besef willen zij daarom de Gemeente te Thessalonica ‘gedenken’. Dat betekent: tijd ervoor nemen om aan hen te denken, opmerkzaam te zijn, te waken over.

Paulus zegt hier dus zoiets als dat zij, telkens wanneer zij samen komen op een plaats van gebed, hun aandacht wijden aan, opmerkzaam zijn op de gemeente te Thessalonica. En dat zij dan een dankbaar gevoel krijgen dat God hen in de gelegenheid gesteld heeft om op de bres te staan voor deze mensen, hen voortdurend ‘de voeten te willen wassen’, zodat de boze geen vat op hen kan hebben.

Als we zo onze tafeltekst deze week biddend opzeggen, dan bidden we dus om een waakzame ziel voor elkaar, en voor allen die allerwegen de Naam van onze Here Jezus aanroepen. Dan staan we open voor het ontvangen van een waakzaam priesterhart…