Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons.

                          2 Korinthiërs 4:7

Omdat onze nieuwe tafeltekst begint met ‘maar’ moeten we ook nu weer lezen wat aan deze tekst vooraf gaat. (2 Kor.4:6) Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus. ‘Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister,’ verwijst heel krachtig naar de eerste verzen van de Bijbel: Genesis 1:3 En God zeide: Er zij licht; en er was licht.

De apostel Paulus drukt hiermee uit dat, net als tijdens de scheppingsdagen, vanuit de duisternis die er op de aardbol was, door het zweven van Gods Geest over deze duisternis, licht doorbrak, zo ook vanuit het duister van ons bestaan Gods licht is doorgebroken in onze harten. Dit licht heeft niet slechts tot doel om de duisternis te verbreken, maar, zoals de tekst in vers 6 ook weergeeft, iets aan het licht te brengen, te openbaren, nl. de kennis van de heerlijkheid Gods. Het woord ‘kennis’ betekent niet zo zeer ‘er iets over weten’, maar eigenlijk meer ‘inzicht, verstaan, deel hebben aan.’

Het woord ‘heerlijkheid’ is ook de moeite waard om aandacht aan te besteden. Dit woord betekent zoiets als: iets verstaan, wat onlosmakelijk tot gevolg heeft dat men tot aanbidding en lofprijzing komt. Het is dus het tegenovergestelde van, zoals de Bijbel het zegt (1Kor. 8:1)  De kennis maakt opgeblazen. Het grote verschil is nl. de gezindheid bij de ‘kennis’: als de kennis ons tot zelfverrukking brengt of: tot aanbidding brengt vanwege de openbaring van God . . .

Alle kennis de wij vergaren, buiten Christus om, maakt opgeblazen en vervreemdt ons van God. Hiervan zegt de Schrift: 1 Kor.1:19  Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen. Maar van de kennis die tot aanbidding brengt zegt de Schrift: Hosea 4:6 Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn; daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten.

De kennis waarvan vers 6 spreekt, kan niet opgeblazen maken, omdat – en nu komen we dan aan onze tafeltekst – deze kennis ons het besef geeft dat het een schat is die geborgen is in aarden vaten. Deze kennis heeft God namelijk toevertrouwd aan mensen, hier ‘vaten’ genoemd, die maar heel broze instrumenten, werktuigen zijn. Deze kennis, die ons God doet aanbidden, is een mogelijkheid voor God om Zich te openbaren aan de wereld om ons heen!

Wonderlijk dat in onze tafeltekst aan de ene kant de broosheid van het instrument, de mens, wordt weergegeven, maar aan de andere kant de ‘kracht’ die van het broze werktuig uitgaat naar de wereld om ons heen! Want ‘de kracht, die alles te boven gaat’ zouden we ook eenvoudig kunnen vertalen met: voortreffelijke bekwaamheid. Deze voortreffelijke bekwaamheid krijgt alleen gestalte in de aanbidding. Want alleen als we Hem aanbidden functioneert deze voortreffelijke bekwaamheid naar de wereld om ons heen.

Als we de tafeltekst van de komende week met elkaar opzeggen, kan het verlangen groeien, dat we meer dan ooit vanuit de aanbidding zullen leven. Dan zullen wij voor de wereld om ons heen tot openbaring komen als echte, eenvoudige, broze, maar toch ook weer loeisterke, zonen en dochters van God!