Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.

Hebreeën 11:1

Als er in de Bijbel gesproken wordt over het geloof, dan gaat het altijd over het geloof dat God schenkt: Efeze 2:8 Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God. Het Griekse woord voor geloof is afgeleid van een werkwoord, dat naast ‘geloven’ ook de betekenis heeft van: vrienden maken, iemands gunst winnen, proberen iemand voor zich in te nemen. Een en ander maakt duidelijk dat ‘geloven’ te maken heeft met een relatie van twee: God en mens. Omdat het geloof een gave van God is kunnen we begrijpen dat het in de eerste plaats God is die deze relatie zoekt, ons tot vriend wil maken, probeert om onze gunst te winnen, ons voor zich in te nemen. Wat een bevrijdende gedachte voor mensen, die God altijd toch nog ergens zien als de ‘eisende partij’…. Daarnaast heeft het werkwoord nog een andere vorm en dan betekent het: iemand vertrouwen, luisteren naar, gehoorzamen.

Als we ons, in de ontmoeting met God, het geloof laten schenken – als we naar God gaan luisteren en in een groeiend vertrouwen Hem gaan gehoorzamen – dan leren we Hem kennen als een zorgzame Vader, als een Vriend, die ons hart verwarmt. In deze relatie met Hem groeit er zekerheid, die z’n fundering heeft in de omgang met Hem, een vast vertrouwen in de ‘dingen’, die Hij ons toezegt en waar wij dan ook echt, vol vertrouwen op hopen.

‘Hopen’ heeft bij ons meer de betekenis gekregen van: niet zeker weten. We zeggen wel eens: ik hoop van wel, maar ik weet het niet zeker. Dit ‘hopen’ is niet het ‘hopen’ waar we hier van lezen. Het werkwoord ‘hopen’ in onze tekst voor de komende week betekent: verwachten, vertrouwen op. Wij verwachten dus en vertrouwen, met grote zekerheid, op de vervulling van alles wat God ons toezegt, als we tenminste in de door Hem aangeboden relatie blijven leven. Als deze relatie verarmt, dan vervaagt deze zekerheid en blijven alleen maar holle, vaak nog wel hoogdravende, woorden over en vervallen we in een ‘eigendunkelijke godsdienst'(Col. 2:23).

Het werkwoord ‘zien’ heeft twee betekenissen: met het lichamelijke oog waarnemen, maar ook: met geestelijke ogen zien, onderscheiden, begrijpen.
Als God, in die warme, vriendschappelijke relatie met ons, spreekt over de dingen van Zijn komende Rijk, dan zijn dat vaak zaken, die we niet kunnen bevatten. God vraagt van ons geen blindelings vertrouwen en geloof in de dingen, waarover Hij tot ons spreekt, maar Hij schenkt ons, in deze relatie met Hem, een blindelings vertrouwen in Hem, het bewijs, dat alles wat Hij zegt zal gebeuren, ook al kan ons zogenaamde gezonde verstand er niet bij…

Het ‘bewijs’ dat God geeft is zo anders dan wat wij met dat woord bedoelen. Want het woord ‘bewijs’ in deze tekst is een woord dat de betekenis heeft van: met daden verantwoording afleggen. Als ons oog door de Heilige Geest geopend wordt voor de daden van God, het handelen van Hem in ons leven, dan geeft ons dat het hemelse bewijs van de dingen, die we nu nog niet zien, maar die we vertrouwensvol en leven bepalend verwachten. Wat een aanmoediging om alle vormen van ‘aangeleerd’ geloof te laten varen en, door te letten op de gaven van God die Hij ons schenkt, ons aan Hem te leren toevertrouwen.