Zo zegt de HERE: De wijze roeme niet op zijn wijsheid, en de sterke roeme niet op zijn kracht, de rijke roeme niet op zijn rijkdom, maar wie roemen wil, roeme hierin, dat hij verstaat en Mij kent.          

Jeremia 9: 23,24

De tekst van deze week begint met: Zo spreekt de HERE. Als we deze woorden goed willen verstaan, is het goed om de klemtoon te leggen op HERE. Dit houdt dan in dat God anders spreekt dan wíj gewend zijn te doen. Wij zouden zeggen: De wijze roeme in zijn wijsheid, etc..

Het werkwoord ‘roemen’ wordt ook wel gebruikt als ‘dwaas zijn’. Dat is ook wel begrijpelijk. Want we zien het mensdom steeds dwazer worden waar we roemen in en roemen op alles wat we zelf, zonder God, kunnen opbrengen: kennis, kracht en rijkdom. Hoe meer we daar op roemen, hoe dwazer we worden in de ogen van de overheden en machten in de hemelse gewesten . . .

Daarom zegt de HERE dan ook, dat we daar niet aan mee moeten doen. Maar als we dat niet doen, dan blijft er eigenlijk niets over wat waarde heeft in ons leven . . . tenzij we verder luisteren: maar wie roemen wil – wonderlijk dat dit ‘wil’ eigenlijk een uitnodiging is – hij roeme hierin dat hij verstaat . . . Het werkwoord ‘verstaan’ betekent hier eigenlijk: zicht hebben op, aanschouwen, gericht zijn op (daarom is bij deze tekst gekozen voor de Statenvertaling).

Als we deze week deze woorden als tafeltekst lezen en opzeggen, dan worden we uitgenodigd om te beseffen dat echt roemen, zonder dwaas te worden, pas ontstaat, als we, in alles wat we doen, gericht zijn op God. Het is dus eigenlijk hetzelfde als: Hem kennen in al onze wegen. En als we zo God betrokken weten in alles wat we doen en bedenken, dan gaan we de werkelijkheid van God leren kennen. Zo worden we echt verlost van al onze eigen ‘godsbeelden’.

Wanneer we gericht zijn op God, Hem bij ons weten, dan raken we vertrouwd met Hem. Maar echt vertrouwd zijn met God zijn we pas, als we ons ook zelf door God laten kennen. Wat machtig, dat in het Hebreeuws dan ook voor ‘kennen’ het werkwoord staat, dat we het beste kunnen vertalen met ‘wederzijds gekend zijn’.

Als we die vertrouwde omgang met God zoeken en leren kennen, dan gaan we in Hem roemen. En als we echt in Hem gaan roemen, meer en meer, ja, dan moeten we aanvaarden dat we ook steeds dwazer worden voor de wereld om ons heen, die dit geheimenis niet meer kent. Zo zegt de HERE dus tegen ons, dat als wij gaan roemen in Hem, we steeds meer dwaze, maar gelukkige, vreemdelingen worden op aarde. ‘Huisgenoten Gods’ wordt dat ergens anders in de bijbel genoemd.