Ja, van oudsher heeft men het niet gehoord noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht.   

Jes. 64:4

De Bijbeltekst voor deze week begint met: van oudsher. Dat is een prachtige uitdrukking. Maar dit Hebreeuwse woord drukt niet alleen het verleden uit, maar ook de toekomst. Het woord is afgeleid van een werkwoord, dat de betekenis heeft van: verbergen, geheim zijn, altijd durend, niet eindigend. Van oudsher houdt dus iets oneindigs in naar verleden, heden en toekomst: niet te bevatten, niet te doorgronden, niet te overzien.

Wat houdt dit ‘niet te doorgronden’ in onze tafeltekst in? Het is iets wat ‘te horen’, ‘te vernemen’ of ‘te zien’ valt. Dit ‘horen’ en ‘vernemen’ horen bij elkaar. Het zijn twee verschillende werkwoorden, die allebei met ‘horen’ te maken hebben, maar het eerste legt meer de nadruk op het ‘horen’, ‘geluid waarnemen’ en het tweede meer op het ‘gericht luisteren naar’. Je zou kunnen zeggen dat het eerste op je afkomt: je hoort wat, en het tweede geeft weer, dat je gehoor geeft aan. Het eerste werkwoord zou meer de betekenis kunnen hebben van: het ene oor in, het andere uit, maar het tweede drukt het verlangen uit om er gevolg aan te geven. Dit laatste is zo anders omdat het weer met relatie, met liefde te maken heeft.

Laten we het vergelijken met de situatie dat je ergens bent en je je naam hoort roepen. Je kijkt verbaasd rond om te weten te komen wie jou hier kent. Maar het tweede is anders: je herkent aan de stem degene die je naam roept en dat doet je verlangen naar alles wat nu verder gaat gebeuren in het contact met elkaar.

Direct daar achter staat wat geen oog heeft gezien. Dit ‘gezien’ is meer dan ‘waarnemen’. Het heeft vooral ook te maken met ‘bezien om het te begrijpen’.

Waar gaat het in onze tafeltekst nu om? Dat er in de oneindige tijd door de mens, behalve onze God, niemand ‘te zien’ is die ‘optreedt’. Bij het woord ‘optreden’ moeten we echt wel even stil staan! Want dit woord ‘optreden’ is een werkwoord dat meer dan 2.200 keer in het Oude Testament voorkomt en al in de eerste verzen van de Bijbel wordt gebruikt. In het ‘scheppingsverhaal’ (Gen 1:1 tot 2:4) staat dat God tweemaal ‘scheppend’ iets tot stand bracht: 1) de hemel en de aarde en 2) de mens.

Voor het overige staat er geen ‘scheppen’, maar een werkwoord dat de betekenis heeft van: doen, vormen, tot stand brengen, maken. Dit werkwoord komt ook hier in onze tekst voor en wordt dan vertaald met ‘optreden’. Wat is het goed om te beseffen dat dit ‘optreden’ niets te maken heeft met een schouwspel, maar met een betrokken zorg. En deze zorg van God is voor, ‘ten behoeve van’, ten dienste van: de mens die op Hem ‘wacht’. Maar dit ‘wachten’ is niet een passief wachten, niet een af-wachten! Nee, het is een ‘wachten op’, een ‘verwachten’. In het verband van onze tafeltekst is het nog meer. Het is een ‘verlangen naar’, een ‘uitzien naar’.

Wat hebben we weer een rijke tafeltekst. Natuurlijk lezen we deze tafeltekst, zoals die in de Bijbel vertaald staat, maar toch weer even een eigen, heel vrije, vertaling, om het geluk dat vanuit deze woorden ons, een week lang, toe straalt te bejubelen: Nooit zal er door een mens een god te verzinnen zijn, die meer zou kunnen zijn dan God, Die ieder, die naar Hem uitziet en zich aan Hem toevertrouwt, verzorgt, bewaart voor tijd en eeuwigheid.