Indien iemand Mij wil dienen, hij volge Mij, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Indien iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem eren.                  

Joh.12:26

De tafeltekst begint met het woordje ‘indien’. Dit kan ook vertaald worden met: ‘in het geval dat’. De tekst begint dus met: In het geval dat iemand Mij dienen wil, . . . dan moet hij Mij volgen. In het werkwoord ‘dienen’ zit het Griekse woordje ‘diaken’ en dat betekent: de bevelen van een meester uitvoeren. En het werkwoord ‘volgen’ betekent letterlijk: dezelfde weg gaan. Maar dan niet in een betekenis als ‘toevallig’ dezelfde weg gaan, maar er dus bewust voor kiezen: zich bij iemand voegen als leerling.

Het begin van onze tafeltekst zou dus ook zo kunnen luiden: “In het geval dat iemand bereid is om al Mijn bevelen uit te voeren, dan moet hij dezelfde weg gaan, die Ik ga, om Mijn leerling te kunnen zijn.”

Wie hier ‘Ja’ op zegt gaat tot de wonderbaarlijke ontdekking komen dat de belofte van de Here Jezus dan in vervulling gaat:“waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.” Het woordje ‘en’ heeft vaak in het Grieks veel meer betekenis dan bij ons. Meestal betekent ‘en’ bij ons gewoon ‘plus’. Maar in het Grieks legt ’en’ een ‘oorzakelijk verband’. Dit wil zeggen dat het één verband houdt met het ander.

Dat is in de tafeltekst voor de komende week zeker het geval! Pas “In het geval dat iemand bereid is om al Mijn bevelen uit te voeren, en daarom bereid is om dezelfde weg te gaan, die Ik ga, zal hij Mijn leerling kunnen zijn en(= en dan geldt de belofte:) waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.”

Zó zouden we het eerste gedeelte van de tafeltekst wel een tijdje boven onze tafel kunnen hangen! Want wat worden nu veel ‘woorden’ uit de Bijbel voor ons duidelijk… Als we hiermee biddend bezig zijn, zullen de woorden van het tweede gedeelte van onze tafeltekst krachtig gaan jubelen in ons hart: Indien iemand Mij (zo) dienen wil, de Vader zal hem eren.

Dit laatste gedeelte heeft natuurlijk alles te maken met: “waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn”, want in dit ware discipelschap (leerling zijn) maakt Jezus ons tot ‘huisgenoten Gods’: Efeze 2:19  Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. Daar is God, de Schepper van Hemel en Aarde, onze Hemelse Vader, onze eeuwige gastheer!

Daar worden we door Hemzelf ‘verzorgd’. Ja, want dat is de diepste betekenis van het Griekse woord ‘eren’. Eigenlijk is er een nog mooiere betekenis van dit werkwoord: in de handen dragen… Dat is heel wat rijker dan wat wij vaak van het woord ‘eren’ maken: op de handen dragen.

Pas als de tafeltekst van de komende week in ons leven tot ‘vlees en bloed’ wordt: gestalte gaat krijgen, dan gaan we beleven hoe nú al, in dit leven, we door Jezus tot huisgenoten Gods worden gemaakt: hemelburgers. Daar is God onze eeuwige Gastheer, die in al onze noden rijkelijk voorziet en …

We houden op met verder schrijven! Maar in ons hart gaan we verder. Dan zal het wonder, waar de wereld al zo lang tevergeefs naar uitziet werkelijkheid worden. Dat wij als huisgenoten Gods ons, in de tijd die ons nog op aarde rest, verheugen – van ogenblik tot ogenblik – in Zijn zorg voor ieder, die in ons zodanig Jezus’ leven herkent, dat zij, met ons mee, leerling van Hem willen zijn.