Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt.                                           

Johannes 6:27

Onze tafeltekst begint met iets wat we vooral niet moeten doen: werken om spijs, die vergaat. Het werkwoord ‘werken’ kunnen we ook vertalen met: tot stand brengen, bezig zijn met. Het woord ‘spijs’ heeft, naast de algemene betekenis van ’dat wat gegeten wordt’, in de christelijke literatuur veel de betekenis in geestelijke zin: voedsel, dat de ziel verfrist, voedt en onderhoudt.

Jezus waarschuwt ons er voor dat er ziele-voedsel is, dat ‘vergaat’. De betekenis van dit werkwoord verwijst niet zo zeer naar de ‘vergankelijkheid’, de tijd-gebondenheid, maar heeft veel meer een actieve betekenis van: vernietigend, geheel uit de weg ruimend, verwoestend. De Heer waarschuwt ons dat er dus in de religieuze sfeer voedsel wordt aangeboden, dat het zielenleven kan verwoesten. Daar mogen we ons dus niet mee bezighouden, niet aan meewerken!

Maar hoe weten we welke spijs, welk godsdienstig aanbod, hiermee bedoeld wordt?

Jezus heeft gezegd: (Johannes 6:35) Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. Als we deze woorden voor ogen hebben, dan verstaan we dat alles wat ons niet dichter bij Jezus brengt en alles wat ons vertrouwen in Hem niet versterkt ons zielenleven vernietigt.

Waar zijn we, dag in dag uit, uur na uur, in Gods Naam mee bezig?

Jezus waarschuwt ons om te stoppen met dit zinloos bezig zijn, met dit onvruchtbaar bestaan. Hij roept ons op om voortdurend bezig te zijn met het tot stand brengen, met het voortbrengen, bezig zijn met ‘spijs dat de ziel verfrist en onderhoudt’, want dan werken we, zijn we bezig met een ‘spijs’, die eeuwig blijft. D.w.z. een ‘spijs’ die niet verdwijnt, maar altijd blijft bestaan: tot in het ‘eeuwige leven’.

Dat is een actief en krachtig leven, altijd ‘fris en sprankelend’, dat geen begin kent en geen eind. Wie dit gaat verstaan wordt voor altijd bevrijd van dat zgn. hemelse beeld: schone witte jurken en altijd schone nagels en geen eelt op de vingers ondanks dat eeuwig spelen op gouden harpen . . . . Echt leven is ‘krachtig’, maar niet in de wereldse zin van spierkracht, maar ‘bruisend’ en ‘betrokken’.

Jezus zegt heel duidelijk dat dit ‘leven’ niet pas komt na de dood, maar er nu al mag zijn, maar even krachtig zal blijven tot in de eeuwigheid. Het werkwoord ‘geven’ staat in de tafeltekst in de ‘aantonende wijs’; een werkwoordsvorm die een handeling aangeeft, die werkelijk plaatsvindt. Hier dus: de Zoon des Mensen geeft deze spijs, dit voedsel voor onze ziel, voor nu en tot in het leven hierna.

Achter deze rijke belofte staat: “want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt.” God heeft Jezus van Nazareth aangewezen als de beloofde Messias, door de tekenen en wonderen die Hij destijds heeft verricht. Maar ook in onze tijd drukt God Zijn zegel op Hem; wijst Hem aan als Degene die de ware ‘spijs’ aan ons geeft, waar wij Zijn nabijheid ervaren, beleven, in moeite, pijn, maar ook in blijdschap en verwondering, dat Hij met ons is; tot aan de voleinding der wereld.

Wat een zegen, dat Hij ons een Gemeente geeft, waar we telkens opnieuw de vervulling van deze, broodnodige, belofte mogen ervaren!