Ik heb de stangen van uw juk verbroken en u rechtop doen gaan.

Leviticus 26:13

De tafeltekst voor de komende week is het tweede gedeelte van een vers. Daarom eerst maar even aandacht voor de hele tekst: Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte heb geleid, opdat gij hun niet meer tot slaven zoudt zijn; Ik heb de stangen van uw juk verbroken en u rechtop doen gaan. De persoon die tot ons spreekt is dus: de HERE, uw God. De naam HERE is de Naam van God waarmee Hij zich aan Israël bekend heeft gemaakt, ten tijde dat Hij hen uit Egypte, uit het slavenhuis, verloste.

De apostel Paulus zegt: (Galaten 5:1) Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen.Zowel in het Oude Testament als in het Nieuwe Testament bewerkt de ontmoeting met de levende Here, dat we verlost worden van een slavenjuk. Wat is dat slavenjuk dan?

Het is het leven onder het juk van de wereldgeesten: (Galaten 4:3) Zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten. Deze wereldgeesten binden ons aan, wat de Bijbel noemt, het tijdgebonden leven. De wereldgeesten gaan uit van de vorst der duisternis, waarvan Petrus zegt: (1Pet. 5:8) Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden.

Hoe meer we door God met Zijn levenslicht omstraald worden (Job 33:30), hoe meer we ontdekken dat we gewend waren aan dit door de duivel verslonden worden. Het is een zuigende kracht naar alles wat de wereldmachten ons aanbieden. Als we ons maar even laten meezuigen in die richting, verzwakt het verlangen naar God en naar het leven dat Hij biedt. We merken dat bij de ouders, maar nog duidelijker bij de kinderen. Het mag een wonder heten als we dan toch nog het roepen van God mogen verstaan en ons omkeren, ons bekeren tot Hem die ons roept….

God heeft ons, midden in deze wereld, de Gemeente van Christus gegeven. Laten we nu toch vooral oppassen, als we dit zeggen, dat we de Gemeente van Christus niet verwarren met de kerk, welke verheven naam die ook draagt. De kerk is niet door Christus gesticht maar door de keizer van het Romeinse Rijk. De Gemeente van Christus is en wordt door Hemzelf gebouwd. Overal (ook in een kerk) waar vol ontzag wordt gezegd: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”, daar bouwt Jezus, onze opgestane Heer, Zijn Gemeente: (Matt. 16:18) En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra (op dit getuigenis) zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.

De Gemeente van Christus bouwt geen kathedralen; het is meestal een eenvoudige huisgemeente: (Romeinen 16:5) Groet insgelijks de gemeente bij hen aan huis. Daar worden mensen niet gebonden aan een bepaalde leer of dogmatiek, maar aan Hemzelf, die beloofd heeft: (Matt. 28:20) En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld. En: (Handelingen 18:10) want Ik ben met u en niemand zal het op u toeleggen om u kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad.

Het is onze levende Here, die ons bevrijdt van ieder slavenjuk en ons stelt in de vrijheid, waarvan ook Paulus spreekt! (Gal. 5:1).

En dan komen we nu bij de tafeltekst van de komende week: Ik heb de stangen van uw juk verbroken en u rechtop doen gaan. Als we Gods liefde in ons leven toelaten, dan kan Satan, de grote tegenstander, niet meer brullen als een leeuw, ons niet meer beangstigen, maar dan voelen we ons veilig en geborgen in Hem. Dan tilt Hij ons op uit ons slavenbestaan: het leven volgens regels en voorschriften van mensen (Colossenzen 2:22), en dan doet Hij ons rechtop gaan.

Dit werkwoord ‘gaan’, omschrijft zoiets als: wandelen, maar nog meer dan dat: meegaan, volgen, verder gaan; Zijn toekomst tegemoet…