Ik zal U loven, HERE, met mijn ganse hart, ik wil al uw wonderen verhalen.

Psalm 9:2

Koning David begint deze psalm met een heilig voornemen: Ik zal U loven. Vanuit dat heilig voornemen heeft hij al zijn psalmen geschreven voor zijn volk, om hen mee te nemen in het grote levensgeheim: God troont op de lofzangen van Zijn volk.

Hoe zouden we onze medemens kunnen dienen door hen mee te nemen in onze lofzang, als we zelf niet verstaan hoe belangrijk de aanbidding is in ons leven!? We zeggen wel eens: “Eerst aanbidden en dan pas ademen.” Maar als het bij een mooie gedachte blijft, dan blijven we toeven in de dood en nemen onze naasten mee in de uitzichtloosheid van de dood. De kracht van Koning Davids leven is dus de aanbidding: Ik zal U loven.

Het werkwoord ‘loven’ houdt veel meer in dan geestelijke liederen zingen: dat kan een verdoving zijn, een geestelijke drug, waardoor je jezelf even boven alle ellende uittilt… Dat religieuze gedoe dient, zoals Paulus het uitdrukt: slechts tot bevrediging van het (vrome) vlees. Nee, echt loven is er alleen maar als we onder de indruk zijn van Gods handelen in ons leven! Echt loven is het gevolg van het onder de indruk zijn van wie Hij is. Daarom houdt loven niet in: geestelijk uit je dak gaan, maar verwonderd neerknielen, buigen voor Hem, voor de HERE. De diepe betekenis van de Naam van God, HERE, is: Ik ben er voor jullie. In die verwondering wordt het echte ‘loven’ geboren. Loven is niet een dansen en springen en met je armen zwaaien, maar is een verstilling. Het werkwoord loven houdt ook in een ‘belijden’, ja, een schuldbelijden, zoals het ook vertaald is in Daniël 9:4 En ik bad tot de HERE, mijn God, en deed schuldbelijdenis en zeide: Ach Here, Gij grote en geduchte God, die vasthoudt aan het verbond en de goedertierenheid jegens hen die U liefhebben en uw geboden bewaren; 5 wij hebben gezondigd en misdreven, wij hebben goddeloos gehandeld en zijn wederspannig geweest; wij zijn afgeweken van uw geboden en van uw verordeningen, en alles wat er verder volgt in de woorden van Daniël.

Als David hier uitroept: Ik zal U loven, HERE, dan is het woord HERE, niet zo maar een stopwoordje, zoals het helaas maar al te vaak gebruikt wordt in onze gebeden, maar het is de meest verheven Naam van God, die een oprechte Jood nooit zal durven uit spreken: de Zijnde, de eeuwig Bestaande, Die er altijd voor ons wil zijn. Loven heeft dus niets te maken met: in een religieuze sfeer komen, maar met: onder de indruk zijn van Gods handelen in ons leven.

David vervolgt de inleiding van deze psalm met: met mijn hele hart. Het woord hart duidt niet op onze rikketik, maar op: ons innerlijk, onze manier van denken, onze wil, ons geweten. David heeft de ware Bron van het Leven ontdekt: met ons hele hart bepaald worden door de ‘wonderen’ van God. Wat zijn de wonderen van God? Elk handelen van God, dat we niet aan toeval, maar alleen aan het werkelijk ingrijpen van God kunnen toeschrijven, is een wonder. Een wonder verwondert ons, maakt ons stil, doet ons echt leven. Alleen in het schuilen bij God is er de mogelijkheid tot verwondering: zien van Gods handelen. David neemt zich voor om niet zijn eigen handelen, maar het handelen van God, de wonderen dus, te ‘verhalen’. Het werkwoord verhalen is veel meer dan alleen ‘vertellen over’. Nee, het heeft te maken met: opsommen, optellen, mee rekenen, herhalen, in ogenschouw nemen. Kortom, David neemt zich voor om heel zijn ‘hart’ te laten bepalen door de ‘wonderen’ van God.

Als dit rijke voornemen niet in ons hart is, heeft het helemaal geen zin om deze woorden van Koning David bij iedere maaltijd van deze week op te zeggen…