De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!  

Romeinen 13:12

De tafeltekst van deze week spreekt overdrachtelijk over dag en nacht. In deze zin moeten we het woord ‘dag’ zien als de tijd om zich te onthouden van uitspatting, ondeugd, misdaad, omdat daden van die aard ‘s nachts en in duisternis bedreven worden. Het woord ‘dag’ kun je dus zien als een symbool van alles wat het licht verdragen kan, het licht niet schuwt. Daar tegenover staat dan het begrip ‘nacht’ als de tijd waarop het normale werk stil ligt, de tijd voor daden die het licht niet verdragen, de tijd van het leven in de dood…

Onze tekst zegt: De nacht is ver gevorderd. Dit ‘ver gevorderd’ kunnen we ook vertalen met: ‘snelle voortgang hebben, toenemen’. Het ‘nachtleven’ is er altijd geweest, door de eeuwen heen, maar nu is ‘de dag’ – de periode dat men werkt – er vaak alleen om het nachtleven te beleven: de tijd van de dood, de tijd voor daden van zonde en schande. Dit laatste is overigens alleen de beschrijving van dit alles, vanuit het ‘licht’ gezien, want in ‘de nacht’ is dit alles eigenlijk gewoon, gezellig, ontspannend etc.

De nacht is ver gevorderd betekent dat het hierboven beschreven leven, wat vroeger alleen ‘s nachts plaats vond, nu niet meer verborgen is, maar ‘gewoon’ is geworden en dat we er steeds meer gewoon aan raken, tenzij we ons bewust worden, dat ‘de dag nabij is’, zoals onze tafeltekst ons vertelt. Heel vaak wordt in de Bijbel gesproken over de dag zijnde de laatste dag van deze tegenwoordige eeuw, de dag dat Christus zal wederkeren uit de hemel, de doden zal opwekken, het eindgericht zal houden en Zijn koninkrijk zal voltooien. Immers op die dag zal alles wat in de ‘duisternis’ gewerkt werd aan het ‘licht’ komen: Ef.5:13  maar als dat alles door het licht ontmaskerd wordt, komt het aan de dag; want al wat aan de dag komt is licht.

Iedereen die zich hier van bewust is, gaat een hekel krijgen aan alles wat tot de ‘nacht’ behoort. Het verlangen om open, klaar en helder, heel eenvoudig te leven, verdrijft de ‘nacht’ uit ons leven. De ‘nachtkleding’ willen we niet meer! Die past alleen bij de bezigheden van de ‘nacht’. Maar als we niets meer van doen willen hebben met de ‘bezigheden’, de ‘werken’ van de nacht, van de duisternis, dan willen we ons ‘bekleden’ met de ‘wapenrusting’ die we nodig hebben om alles tot stand te brengen wat bij de dag hoort.

Dit alles staat eigenlijk in onze tafeltekst: Waar we ‘de Dag’ zien naderen willen we de werken der duisternis afleggen. Dat wil zeggen, dat we alle bezigheden die tot de nacht behoren, willen afleggen, weg doen.

Als we in plaats van ‘nacht’ nu eens ‘vlees’ zetten: alles wat belangrijk is, kan zijn, voor het tijdgebonden leven. En voor ‘dag’ het woord ‘geest’ zetten: alles wat belangrijk is en met het hemelburgerschap te maken heeft, dan roept de tafeltekst ons op om alles opzij te schuiven, niet meer van belang te achten, wat alleen maar te maken heeft met het hier en nu, zonder God en: aandoen de wapenen des lichts. Het woord ‘aandoen’ betekent: zich kleden in, verzinken in, zich omringd weten met. En het woord ‘wapenen’ heeft niet alleen met ‘oorlogstuig’ te maken, maar kan ook eenvoudig vertaald worden met: gereedschap om iets te maken.

Dan zie ik zo voor mij een werkplaats, waar een vrolijk lied klinkt en mensen met plezier bezig zijn om iets te maken, wat straks gebruikt zal worden, straks als de bazuin klinkt en Zijn voeten op de Olijfberg staan; als Zijn Rijk aanbreekt. Immers, onze tafeltekst spreekt toch eigenlijk van dat ogenblik, van die Dag…

Als we die Dag zien naderen, dan gaan we aan de slag, de nachtkleding uit, de werkkleding aan, omringd door alle werktuigen die nodig zijn en gereedliggen, om de werken te werken, die God voor ons bereid heeft; al vóór de grondlegging van deze wereld!